Multatuli's krygszangen

Er was een `rilling' door het land gegaan, zei het liberale kamerlid W.R. van Hoëvell toen er in de Tweede Kamer over Max Havelaar werd gediscussieerd. Dat was in september 1860, vier maanden na het verschijnen van het boek van Multatuli, door velen beschouwd als de belangrijkste roman van de Nederlandse literatuur. Was die `rilling' nu van esthetische of ethische aard? Multatuli was van mening dat publiek en recensenten zijn boek vooral om de schoonheid ervan prezen, en zich niets van de `zaak' aantrokken: eerherstel van Havelaar (dat wil zeggen, van Multatuli/Douwes Dekker) in Indië en de beëindiging van de onderdrukking van de Javaan. Zoals hij zelf schreef in zijn toelichting bij de vierde druk van 1875: `De meeste lezers schenen te meenen dat ik my en de mynen had blootgesteld aan armoed, vernedering en dood om hun 'n prettig lektuurtje te verschaffen'.

Literatuurhistoricus Nop Maas stelt in Multatuli voor iedereen (maar niemand voor Multatuli) dat die kijk van de schrijver op de ontvangst van zijn boek kritiekloos is overgenomen door de literatuurhistorici. In de eerste van zijn zes beschouwingen, die verschillende aspecten van de Multatuli-receptie beschrijven, wil Maas duidelijk maken hoe het werkelijk zat met ontvangst van de Havelaar door de tijdgenoten.

Dit is een belangrijke aanvulling op het tiende deel van Multatuli's Volledig Werk (in 1995 voltooid met de publicatie van het vijfentwintigste deel), waarin de reacties in kranten en tijdschriften op de Havelaar verzameld zijn. Tekstbezorger Garmt Stuiveling en zijn opvolger Hans van den Bergh wordt door Maas verweten `bepaald geen vlekkeloze prestatie' te hebben geleverd. Hij ontdekte na grondig onderzoek dat in dit deel (en trouwens ook in de overige delen van het Volledig Werk) belangrijke documenten ontbreken. Wat er wel is opgenomen kent weer geen systematiek en is slecht geannoteerd.

Nauwkeurig en helder zet Maas de gedrukte reacties op Max Havelaar op een rijtje. Zo wordt duidelijk dat de recensenten van bijvoorbeeld de NRC, de Amsterdamsche Courant en het Algemeen Handelsblad wel degelijk ook de inhoud van het boek bespraken. Bijna allemaal drongen ze aan op nader onderzoek van de `knevelarijen' die in Indië plaatsvonden. Dankzij de artikelen die P.J. Veth in De Gids schreef werd de Havelaar geannexeerd door de koloniale oppositie, die het koloniale cultuurstelsel wilde vervangen door vrije arbeid. Dat liet Multatuli zich een tijdje aanleunen, terwijl hij helemaal niet bij de liberale partij wilde horen – hij wilde een onafhankelijke plaats in de Tweede Kamer, en eist dat zelfs in de slotbladzijden van zijn boek.

Aan dat slot, waarin Multatuli zich naar voren dringt en met een revolutie dreigt als Nederland niet naar hem wil luisteren, hebben veel recensenten zich geërgerd. Het Handelsblad schreef: `Dergelijke bedreigingen hoeven niet te worden beoordeeld; zij veroordelen zich zelve'. Het gaat vooral om de passage: `En ik zou klewangwettende krygszangen slingeren in de gemoederen van de arme martelaren wien ik hulp heb toegezegd, ik, Multatuli'.

Het zou een titel voor deze onverbiddelijke bestseller kunnen zijn geweest: Ik, Multatuli. Want in meerdere passages ronkt de zelfoverschatting, waarmee Multatuli zijn `zaak' ernstig heeft benadeeld. Hij meende werkelijk dat pas het herstel van hemzelf in een hoge Indische positie tot verbetering in de Indische situatie zou leiden. De discussie over de persoon Multatuli ging hierdoor na een tijdje de discussie over de mishandeling van de inlanders overschaduwen. De spotprenten en parodieën die in Multatuli voor iedereen zijn opgenomen, laten zien dat velen de schrijver met al zijn pretenties niet erg serieus namen.

In de beschouwing `Multatuli's gefrustreerde ambities' buigt Maas zich over de vraag in hoeverre Multatuli een revolutionair was of wilde zijn. Hoopten Multatuli en zijn schaarse volgelingen, voornamelijk jonge vrouwen, werkelijk op een keizerrijk Insulinde met aan het hoofd de schrijver zelf? W.F. Hermans beschouwde het als een verhaaltje waarmee hij meisjes amuseerde, Maas echter twijfelt niet aan Multatuli's revolutionaire ambitie. Daarvoor voert hij diverse bewijsplaatsen aan. De kortste en krachtigste is deze, in een brief uit 1873 aan de voorzitter van het Democratisch Congres: `Ik kan geen andere betrekking aannemen dan die van dictator'.

Om te laten zien dat Multatuli al heel vroeg vond dat hij een kroon verdiende, had Maas ook een tekst kunnen aanvoeren uit de `Losse bladen uit het dagboek van een oud man', begin jaren veertig geschreven in Indië. Hierin bepaalt Multatuli aan de hand van Napoleon wat het betekent om een groot man te zijn. Veelzeggend is, dat hij Napoleon groot vindt op het moment dat die als jongeling over de toekomst peinst. `Hij is groot om dat denkbeeld; hij zoude groot zijn ook wanneer de toekomst daaraan niet hadde beantwoord.' Dromen van grote daden is dus al voldoende om een groot man te zijn. Zo stelde Multatuli, met een vooruitziende blik, zijn eigen grootheid veilig in een toekomst, die niet aan zijn dromen zou beantwoorden. En dat maakt Multatuli juist tot de kunstenaar, die hij niet wilde zijn - iemand die genoeg heeft aan het denkbeeldige.

Nop Maas: Multatuli voor iedereen (maar niemand voor Multatuli). Vantilt, 221 blz. ƒ39,90