Marokkanen en de Fabeltjeskrant

Najib Amhali trekt met zijn eerste avondvullende programma volle zalen met grappen over Nederlanders, Marokkanen en Surinamers.

Eerst babbelt hij over de nieuwste speeltjes. Over het Internet waar hij alleen maar gekke dingen mee doet en over het gespreksniveau van mobiele bellers: in plaats van `Hoe gaat het?' vragen zij elkaar nu slechts: `Waar ben je?' Cabaretier Najib Amhali, 28, praat met schwung en bravoure, maar de dingen waaróver hij praat zijn aan de veilige kant. Totdat hij zegt: ,,Ik was anderhalf toen ik naar Nederland kwam. Ik deed niks anders dan huilen.'' Het grotendeels autochtone publiek in C.C. De Leest in Waalwijk, Noord-Brabant, valt even stil. Dacht het net dat die jongen met zijn computergedoe een van hen was en dan begint-ie over zijn Marokkaanse afkomst. Lastig.

Hoe een migrantenjong een plek in Nederland veroverde, daarover vertelt Amhali in zijn eerste avondvullende programma Veni Vidi Vici. Maar hij vertelt niet alleen over zichzelf. Ook over zijn jeugdvrienden Mo en Karim, die het verkeerde pad op gingen. ,,Bij die jongens'', zegt Amhali na de voorstelling, ,,begon het allemaal voor de gein, uit baldadigheid. Niet om te stelen drongen ze de huizen van vreemde mensen binnen, maar om wat lol te maken. Berichtjes inspreken op het antwoordapparaat; vla door de kamer smijten. En toen pleegden ze die stomme overval. Als ik een crimineel zou zijn zou ik alles zorgvuldig uitvoeren, maar zij gingen lukraak ergens naar binnen en verdeelden de buit in de bus. Het was alsof ze riepen: `Pak ons op, pak ons op!' Alsof ze niks meer hadden waarvoor ze wilden gaan.''

Mo en Karim belandden in de gevangenis; Najib kwam terecht op het podium. Drie Marokkaanse jongens, twee uitkomsten van een jeugd in Krommenie. ,,Ik'', zegt Najib Amhali, ,,had het geluk dat ik altijd thuis kon komen, wat ik ook had gedaan. Maar Mo en Karim hadden zulke strenge ouders dat ze soms ergens anders moesten blijven slapen. Zo raakten ze de weg kwijt.'' Natuurlijk, peinst de cabaretier, zijn er altijd theatergangers die bij de naborrel triomfantelijk kraaien: ,,Een Marokkaan zegt het zelf: Marokkaanse jongens zijn slecht. Maar ik kan het probleem toch niet ontkennen? Als ik zou zeggen: Alle Marokkaanse jongens zijn hartstikke goed, wat zeuren jullie nou, dan zou dat dom en leugenachtig zijn. Integratie lukt niet altijd; ook bij mij ging het moeizaam.''

Geen schaatsen

Hij merkte de verschillen al op de kleuterschool. ,,Je ging met zo'n Nederlandse kleuter mee naar huis en moederlief zei vrolijk: `We hebben een verrassing. We gaan naar de ijsbaan. Neem je schaatsen mee.' Maar ik hàd geen schaatsen. Mijn ouders waren arm.'' Dat hij in een overwegend Nederlandse wijk opgroeide had ook zijn voordelen: zo leerde hij de taal vloeiend spreken. In Veni Vidi Vici jongleert Amhali niet alleen met het ABN maar ook met het Noord-Hollands uit de polders van Krommenie, met Brabants, Rotterdams en Amsterdams-Creools. Hij imiteert het parmantige taaltje van Meneer de Uil uit de De Fabeltjeskrant, het gehakkel van de voetballende broertjes De Boer en het plechtstatige gedrein van het Wilhelmus. Hij windt de Nederlanders met zijn kennis van hun volkscultuur om de vingers en slaat hen dan om de oren. Want de via een voice-over hoorbare reporter laat zich behoorlijk gaan (`Dat zo'n buitenlander ons in onze eigen taal de les komt lezen!') en in een andere sketch vraagt een politieagent aan een ten onrechte van tasjesroof betichte Marokkaan: ,,Ken je niet effe bij vriende of familie vrage waar dat ding is gebleve?!''

Over de bevolkingsgroepen waartoe zijn fans behoren maakt Amhali grappen. Over Nederlanders, over Marokkanen (het slaapliedje van een Marokkaanse moeder: een door merg en been gaand geblèr) en over Surinamers: ,,Frankie Rijkaard, is dat een Surinamer? Alleen als hij vaker zou zeggen: `Sorry, beetje te laat'.'' In het Amsterdamse café waar we hebben afgesproken doet Amhali al die geluiden en stemmetjes na en de kelner vraagt gretig waar de cabaretier de komende dagen optreedt. Die legt intussen uit: ,,Grappen maken alleen om te scoren, dat vind ik goedkoop. Over Surinamers maak ik grappen omdat ik het land ken; ik ben er geweest, ik respecteer de mensen. Maak ik grappen over Marokkanen, dan is dat een vorm van zelfspot. En grappen over Nederlanders zijn goed zolang ze uit mijn ervaring komen, uit mijn eigen verhaal.''

Stand-up

Hij werkt vaak samen met Raoul Heertje, de baas van de Comedytrain.

,,We doen aan stand-up comedy in café Toomler's hier om de hoek en zetten elkaar een beetje voor lul door grappen over elkaars geloof te maken. Raoul is joods en ik ben moslim. Hij komt het eerst op en vertelt iets over mij: `We zijn allebei besneden, alleen bij Najib is het anders gedaan, daar doen ze het met een keukenmesje.' En dan kom ik daar weer bovenop met vuile verhalen over hem. Dat kan, want we waarderen elkaar, we zijn vrienden. Godsdienst is iets dat verbroedert. Ik hou me aan alle goeie dingen uit de Koran: dat je arme mensen moet helpen; dat je niet mag liegen, niet mag stelen, niet mag roddelen. Behalve dan in een theatraal spel.''

Veni Vidi Vici schreef Amhali samen met Heertje, die hij als een voorbeeld beschouwt: ,,Over super-actuele dingen heeft hij vaak al twee, drie grappen. Snel reageren op nieuws, dat kan ik nog niet zo goed.'' Snel reageren op wat er in de zaal gebeurt daarentegen kan hij als de beste. ,,Comedy is interactie. En goede comedy is: verbazing wekken, verrassen. Je muzikaliteit laten horen. Onderwerpen aanhalen waarvan anderen denken: Dat jij je daar druk over maakt. Er net zo lang over doorgaan tot zij zich ook drukmaken. En verder wil ik achter het typetje de man of de vrouw zien. Een persoonlijkheid, die vecht, die pijn heeft, zonder zielig te doen. Ach, je hebt tegenwoordig zoveel verschillende stijlen: muziekcabaret, mooie-liedjes-cabaret, vertelcabaret, zapcabaret... Die verscheidenheid spreekt me aan.''

Amhali neemt als hij even tijd heeft enthousiast deel aan Fresh Wagon, de brutalere, hippere versie van de Comedytrain. Met jong stand-up-talent als Howard Komproe, Eric van Sauers en Roué Verveer. Allemaal allochtonen, van Surinaamse afkomst vooral, en bij hun maandelijkse nachtrevue in De Kleine Komedie trekken zij een veelkleurig publiek. ,,Onze grappen'', verklaart Amhali, ,,gaan over seks, over uitgaan, over cd's die de grote mensen niet kennen.'' Er zijn veel allochtone comedians – ook Nilgün Yerli, een Turkse, is in opkomst. Misschien, gist Amhali, omdat zwarten zich laten inspireren door de black comedy uit de Verenigde Staten. Of omdat nieuwkomers een frisse kijk op Nederland hebben. Of omdat het straatleven hen gezegend heeft met een grote mond.

Vergeleken met straatjongens als Mo en Karim was Najib een doetje en het leek er een tijdlang op dat het ook met hem niets zou worden. ,,De LTS was geen succes en op de automonteurschool vroegen ze me: `Wat doe jij hier? Jij hebt twee linkerhanden.' Ik dacht: ik ga een eigen bedrijf beginnen. Maar m'n middenstandsdiploma heb ik niet gehaald. Dus ben ik maar wat gaan werken. Losse baantjes: om drie uur 's nachts naar de haven en bij min twintig graden Celsius bakken met vis opstapelen. In de bouw zei een vent tegen mij: `Ik moet geen buitenlanders, maar jou mag ik wel, jij bent anders. Hoe heet je? Najib. Okee, ik noem je Nico.' Is dat racisme? Bij navraag bleek dat die kerel een keer ruzie had gehad met een Turk. Taalbarrière, irritaties, misverstanden.''

Brutale jongen

Amhali's vorige programma Vol = Vol, voortgekomen uit de show waarmee hij in 1998 het Leids Cabaret Festival won, ging over misverstanden. En over zijn vader. Een man uit Nador, randje Rifgebergte, waar zoon Najib werd geboren. Illegaal Nederland binnengekomen, fabrieksarbeider, vier jaar geleden gestorven. Een vader die niet haarfijn begreep wat de leraar hem over leerling Najib vertelde. De zoon moest tolken en van `Uw kind is een brutale jongen' maakte hij gewiekst: `Uw kind is de beste van de klas.' ,,Mijn vader'', herinnert Amhali zich, ,,was heel muzikaal. Hij speelde gitaar, fluit en trommel. Dat muzikale heb ik dus van hem – al moet mijn zang in de voorstelling beter. Mijn vader stond ook weleens op een tafel te dansen. Op een dag kreeg hij last van zijn hart. Hij ging steeds meer klagen: `Ik kan hier niks en het weer is hier altijd slecht'. Hij wilde terug naar Marokko, maar wij kinderen niet. Dus hij kwam klem te zitten.'' Maar, vindt de zoon, 't is goed dat de oude Amhali de jonge nergens toe dwong.

,,Zijn stelregel was: `Als je je maar gedraagt in deze maatschappij.' En hij voegde daar steevast aan toe: `Ik ben hier al dertig jaar en ik heb nog nooit problemen gehad met justitie of politie.' Nooit problemen hebben: dat verwachtte hij ook van ons. We moesten voorzichtig zijn. Vooral niet opvallen. Soms zei een ouder tegen mijn vader: `Najib pest mijn kind.' Mijn pa tegen mij: `Wat is dat nou. Ik woon hier al dertig jaar en er is nog nooit iemand bij mij komen zeuren'.'' Ondanks het niet-opvallen-gebod wist Najib al vroeg dat hij komiek wilde worden. ,,Ik hoefde maar ergens binnen te komen en de sfeer werd vrolijker.''

Maar hoe kwam je de podia op? Voor de toneelschool moest je minimaal havo hebben. ,,Ik werkte als inpakker toen ik in de krant een advertentie las: Hogeschool voor de Kunsten in Utrecht zoekt allochtone leerlingen. Na een week audities werd ik aangenomen. Vijf jaar heb ik over die school gedaan, want ik had niet zoveel boeken gelezen, ik wist niet eens het verschil tussen Shakespeare en Pinter.'' In 1994 studeerde hij af en als hij aan een televisieserie mocht meedoen was dat altijd in de rol van schoonmaker of Noord-Afrikaanse probleemjongere. ,,Na een paar jaar was ik het zat. Voortaan, beloofde ik mezelf, vertoon ik me alleen nog aan het publiek met dingen die ik zèlf wil zeggen.''

Sinds iets meer dan een jaar woont Amhali in Amsterdam. Hij chauffeert zichzelf naar de theaters. ,,Alleen heen, alleen terug: de eenzaamheid maakt me niet happy. Ik mis de collega die me tussen de bedrijven door zegt: `Shit man, daar ging je effe de fout in'. Maar dan denk ik weer: al die mensen, die komen speciaal voor jou, die maken een avond vrij, die hebben een kinderoppas geregeld, wat wil je nog meer? Ik zet de muziek hard aan als er nog niemand is in de zaal: even flink schreeuwen, of met de bal schieten. En dan roep ik: `Okee, we kùnnen!' Doe de deur maar open.''

Veni Vidi Vici is t/m 3 juni in verschillende Nederlandse steden te zien; inl 020-6260350.