Last van wiebel en kriebel

De elfjarige Polleke zit op de stoep. Ze voelt zich net een meisje uit een film zoals ze daar zit, zielig, eenzaam. Een kind dat niemand meer heeft, `behalve dan een moeder en een opa en een oma en een vriendje en een vriendin en een dakloze vader en een kalf en een meester.' Polleke is de nieuwste Kuijer-heldin, zo'n type dat te zelfbewust is en te veel zelfspot heeft om bij de pakken neer te gaan zitten. Ze doet maar alsof, daar op die stoep.

Toch is Polleke wel degelijk een beetje zielig. Die vader is niet alleen dakloos, maar ook verslaafd. Het vriendje komt uit Marokko en zal een Marokkaans meisje moeten trouwen. De moeder en de meester hebben trouwplannen, maar soms ineens ook weer niet. En Polleke moet schipperen, voelt zich verantwoordelijk, heeft de neiging iedereen in haar omgeving te souffleren om zoveel mogelijk conflicten te voorkomen.

Een half jaar geleden verscheen het eerste boek over Polleke, Voor altijd samen, amen. In het nieuwe Het is fijn om er te zijn is Polleke nog steeds elf, maar toch wat ouwelijker en wijzer geworden. Niet langer gelooft ze dat haar vader eigenlijk een dichter is. Een leugenachtige junk is hij, een dief. Polleke ziet het allemaal scherp, maar blijft hem trouw. Aan het eind van het boek sleept ze hem zelfs mee naar een `Samen uit, samen thuis-huis,' een afkickboerderij in Drenthe, voor verslaafden en hun kinderen. Zes weken zal ze er met hem doorbrengen. Of zal haar vader er alsnog op zijn bevende benen vandoor gaan?

Het is fijn om er te zijn is een plagerig boekje. Zomaar een momentopname uit Polleke's roerige leven is het, vol van vragen en niet van antwoorden. Guus Kuijer is wars van `probleemoplossend' schrijven zoals je vaak in kinderboeken aantreft. In kinderboeken althans die pretenderen te gaan over `het echte leven', het leven in de grote stad, waar drugs in voorkomen en gescheiden ouders en klasgenoten die worden uitgehuwelijkt. Het is een ware verademing.

Guus Kuijer weigert al te veel in te zoomen op de problemen van zijn hoofdpersoon. En terecht, want al heb je dan een verslaafde vader, er zijn altijd ook nog zoveel andere dingen aan de hand. De slappe lach met je beste vriendin, een stoere jongen die je meevraagt op zijn scooter, een verkleedfeest op straat, het ingaan van je laatste jaar op de basisschool. De hoofdstuktitels geven de veelomvattendheid van Polleke's leven treffend weer: `Over dat ik verslaafd ben aan drop en dat ik met Mimoen vrij', `Over hoe moeilijk het is om een mooie jurk te hebben die iemand anders niet mooi vindt', `Over het potje in het keukenraam en over waarom er bij mannen overal haar groeit'.

In de beide boekjes over Polleke zie je alles door haar ogen. Kuijer schrijft over het algemeen geloofwaardige spreektaal (`jongens zijn soms zooo stom'). Hij legt Polleke woorden in de mond als `wiebel' (dat wordt ze van de zwarte ogen van haar vriendje) en `kriebel' (dat wordt ze van slome volwassenen en moeilijke situaties). Ook heeft ze vaak `tevoortjes,' dan weet ze precies wat iemand gaat zeggen. Minder overtuigend zijn, ook in dit nieuwe deel, sommige van de gedichten die Polleke schrijft. Ze balt daarin haar ontdekkingen over het leven samen. Over haar vader: `Ik dacht aan de tijd/dat hij me als een pet/opgooide in de lucht/zijn kleine meid/zijn grootste fan/gillend van angst/en pret//Als ik gelukkig ben/ben ik het bangst.' Dat is een beetje oubollig voor iemand van elf, zelfs voor iemand van elf met een verslaafde vader, een allochtoon vriendje en een met de liefde tobbende moeder.

Guus Kuijer: Het is fijn om er te zijn. Met illustraties van Alice Hoogstad. Querido, 100 blz.

Vanaf 10 jaar. ƒ24,95