Harmen Brethouwer

Het ziet er zo eenvoudig uit, het paneel dat kunstenaar Harmen Brethouwer (1960) in Galerie de Expeditie tentoonstelt. Het vlak heeft een oppervlakte van een kleine vierkante meter en bestaat uit een ruitpatroon van kleine blauwgroene vierkantjes. Bovenin zit een rond gat, zodat het gemakkelijk aan een spijker tegen de muur gehangen kan worden. Maar de ogenschijnlijke eenvoud van het werk is bedrieglijk. De ingelegde zeegroene vlakken blijken van galuchat te zijn, een zeldzame leersoort die gemaakt is van het vel van de pijlstaartrog. De metalen ring rond het gat is beschilderd met tientallen lagen Japanse lak. Het paneel is gemaakt van balsalinhout en aan de achterkant verzilverd.

Met zo'n intensieve en ingewikkelde werkwijze is het niet verwonderlijk dat Brethouwers tentoonstelling bij Galerie de Expeditie slechts vijf werken telt, gemaakt in een periode van drie jaar. Het kostte hem alleen al maanden om een producent van galuchat te vinden. Vervolgens moest hij op zoek gaan naar vakmensen die met de extravagante materialen om konden gaan. Want het schilderen met Japanse lak of het verwerken van pijlstaartrogvel zijn specialismen waar je je als kunstenaar zelf beter niet aan kunt wagen.

Voor zijn recente serie werken greep Brethouwer terug naar de periode van de Art Deco, de Franse stroming uit het begin van de twintigste eeuw die gekenmerkt werd door verfijnd vakmanschap en het gebruik van exclusieve materialen als ivoor en haaienvel. Naast het galuchatpaneel is ook een paneel van coromandelhout te bewonderen, ingelegd met parelmoer en aan de achterzijde voorzien van een laagje goud. Het bloemenmotief dat op het werk is afgebeeld, is een citaat uit een patroon van de Art deco-ontwerpers Süe et Mare. Alleen het ronde gat waaraan het paneel is opgehangen maakt duidelijk dat dit een kunstvoorwerp is en niet bijvoorbeeld een onderdeel van een originele Art Deco-kast.

Het tweeslachtige karakter van Harmen Brethouwers werk maakt het moeilijk om het te plaatsen binnen de context van de hedendaagse kunst. De objecten zijn perfect uitgevoerd en van een verbluffende schoonheid, maar door hun protserige uiterlijk zou je ze eerder in een kunsthandel of antiekzaak verwachten dan in een moderne galerie. Toch noemt Brethouwer zichzelf een conceptueel kunstenaar en baseert hij zijn ideeën op het minimale gedachtegoed van kunstenaars als Yves Klein, Carl André en Lucio Fontana. Brethouwer is geen traditionalist die terugkijkt naar lang vervlogen tijden – zoals er ook nu nog steeds fijnschilders zijn die zeventiende-eeuwse stillevens nabootsen maar een eigentijdse kunstenaar die voortborduurt op het postmodernisme.

Kostbaarheid is een van de belangrijkste aspecten van Brethouwers werk. De beelden zijn kostbaar in letterlijke zin, wegens de hoge productiekosten, maar leveren ook commentaar op de immateriële kostbaarheid die ten grondslag ligt aan de waarde van kunst. ,,Kunst is in wezen een kwestie van geloof', meent de kunstenaar. Zijn werk verwijst bijvoorbeeld naar de acties van Yves Klein, die aan zijn goedgelovige klanten onzichtbare kunstwerken verkocht en in ruil voor een betaling in puur goud alleen een kwitantie overhandigde.

Zo theoretisch als Klein wil hij echter niet zijn. Bij Brethouwer snijdt het mes aan twee kanten. Liefhebbers van antiek en kunstnijverheid zullen zijn werken bewonderen wegens de zinnelijkheid, de knappe technieken en de exotische materialen. Tegelijkertijd maakt Brethouwer kunst over kunst en passen zijn weldoordachte ideeën naadloos binnen de canon van de moderne kunst.

T/m 8 april in Galerie de Expeditie, Leliegracht 47, Amsterdam. Wo t/m za 13-18u.