Geknipt voor de bovenlaag

``Mode is iets voor dienstmeisjes'', zei de moeder van Constance Wibaut altijd, en haar vader, een bekende deftige socialist, vond het vreselijk dat zijn dochter zich met zoiets onnozels bezighield. Terwijl hij trots had moeten zijn: Constance Wibaut (1920) was in de jaren vijftig en zestig Nederlands belangrijkste moderedactrice – de enige met verstand van zaken, want zij kon patroontekenen en kende de modebranche. Iedereen die iets met mode te maken had las haar stukken in Elseviers Weekblad, die zij zelf illustreerde in een markante tekenstijl.

De manier waarop de Wibauts erover dachten, kenmerkt de plaats van mode in de Nederlandse cultuur. Beschaafde mensen hadden het er niet over, wat niet wil zeggen dat zij per se slecht gekleed waren. Bij een modehuis als Hirsch, in 1882 met veertien personeelsleden begonnen aan het Leidseplein in Amsterdam, werkten in 1906 al 425 mensen, onder wie 300 naaisters en kleermakers. Zij kleedden de Nederlandse bovenlaag – en ook Koningin Wilhelmina – in een sfeer van internationale allure. De verkoopsters spraken Frans.

Het boek Kleren voor de elite van Dieuwke Grijpma, een geschiedenis van de Nederlandse couture die begint in het jaar dat Hirsch zich vestigt, is een poging het gangbare beeld van dit vakgebied te corrigeren. Achter de deftige vooroordelen (en de nichterige glamour van een couturier als Max Heymans) zijn namelijk werelden van vakmanschap en ontwerpkunst uit zicht geraakt. Hirsch is misschien nog niet vergeten, maar vrouwelijke couturiers als Catharina Kruysveldt de Mare of Lien Bergé-Farwick – die in haar Maison Linette in Den Bosch jarenlang de kleren voor Koningin Juliana maakte – kent niemand meer.

Grijpma portretteert hen op basis van talloze gesprekken. Zij schrijft over de couturiers, maar ook over de coupeuses, naaisters en kleermakers die voor ze werkten. Zij interviewde klanten – fabrikantenvrouwen en adellijke dames – en schetst in een leuk hoofdstuk de modejournalistiek tussen 1945 en 1970.

De jaren vijftig en zestig waren de hoogtijdagen van de couture. Na de ontberingen van de oorlog was er schijnbaar niets waar vrouwen zozeer naar verlangden als een nieuwe hoed – of liever: elk seizoen een nieuwe hoed – en zwierige jurken. Het succesverhaal van Dick Holthaus (1928) is typerend voor die tijd: afkomstig uit Hengelo, begon hij in 1951 een hoedenatelier in een souterrain in Amsterdam-Zuid met één modiste. Na luttele jaren waren het er 25 geworden en verkocht Holthaus hoeden van Amsterdam tot Parijs, Rome en Milaan. In 1957 kon hij zich in de couture begeven en verkocht hij naast eigen ontwerpen modellen van Lanvin en Yves Saint Laurent – een mooie jongen die niet kon knippen, naaien of patroontekenen: maar met flair.

Kleren voor de elite zit vol met levendige beschrijvingen van dit soort carrières, zonder een zweem van het devote toontje waarmee insiders meestal over mode schrijven. Grijpma, behalve kunsthistorica ook modeontwerpster van opleiding, is wars van jargon; haar boek leest als een roman dank zij de journalistieke aanpak.

Bij die aanpak hoorde ook de onthulling, bij de presentatie van het boek, dat de koningsmantel waarin Juliana in 1948 is ingehuldigd, niet zoals iedereen dacht het oude exemplaar van koning Willem I was. De Zwitserse couturier Erwin Dolder, ontwerper van de inhuldigingsjapon en het bekende Juliana-kapje, moest ook die mantel opknappen. Hij verving hem eigenmachtig door een nieuwe, waarvoor hij het fluweel in Bazel kocht. (Een generatie later, voor Beatrix' inhuldiging, bleek dat te hebben afgegeven op de hermelijnen voering.) Het verhaal dat Dolder, die in 1956 met schulden Nederland moest verlaten, aan het eind van zijn leven met de oorspronkelijke koningsmantel langs Bazelse homobars sjouwde, geeft het verhaal extra pikanterie.

Maar intussen is de historie van de getalenteerde Dolder (1928-1970) ook wel typerend voor de vreemde relatie die de couture altijd heeft gehad met het Koninklijk Huis. Als Juliana hem opdroeg voor een bijzondere gelegenheid een jurk te vermaken waarvan hij dat zonde vond, maakte hij een nieuwe, zonder een rekening te sturen. Dames van het hof vroegen voortdurend om prix d'amis, en als zij het geld niet over hadden voor een nertsrandje dat hij essentieel achtte, kocht hij het zelf. Of hij voor de nieuwe koningsmantel ooit is betaald, is niet zeker.

De koningin te kleden is altijd de droom van couturiers geweest, maar wie dat daadwerkelijk mocht, heeft dat vaak moeten bezuren. Zo ontwierp Joan Praetorius, de eerste Nederlandse couturier die onder zijn eigen naam werkte, tussen 1929 en 1932 bal- en receptiejurken voor Emma, Wilhelmina en Juliana: comfortabele, mooi afgewerkte kleren met elegante plooival. In 1932 was dat ineens voorbij. Het was crisis, de koningin schafte alle ontvangsten af en wilde het bespaarde geld liever aan het Nationaal Crisiscomité geven. Zij scheen niet te beseffen wat de gevolgen van die opoffering waren voor de Haagse middenstand, laat staan voor Joan Praetorius en zijn vrouw. Zij zijn de slag nooit te boven gekomen.

Couture, de kunst om kleding te vormen naar het lichaam van de klant, is in Nederland praktisch uitgestorven. Een `couturier' als Frans Molenaar levert feitelijk maatconfectie. Het vak bestaat nog wel, en wordt bijvoorbeeld beoefend door Theresia Vreugdenhil die de garderobe van Koningin Beatrix verzorgt. Hoe dat gaat, beschrijft Grijpma in een vermakelijk hoofdstuk. Maar verder leeft het voornamelijk voort in de tientallen `bruidscouture-huizen' die hier bestaan, overigens in grote meerderheid door vrouwen beoefend.

Dat de (vaak mannelijke) poeha het wint van het (vaak vrouwelijke) vakmanschap, vormt de kritische ondertoon van Grijpma's boek. De spraakmakendste modeontwerpers van vandaag, zoals Victor en Rolf, zijn er helemaal niet meer op uit om echte kleren te maken voor echte vrouwen: zij promoten vooral zichzelf, aldus de schrijfster. Op de academie zijn de studenten niet meer geïnteresseerd in techniek – ze willen allemaal ontwerper worden, vertelt een coupeur die het lesgeven er aan gaf. En daarmee gaat Kleren voor de elite dus niet alleen over de opkomst, maar ook de ondergang van een verschijnsel.

Dieuwke Grijpma: Kleren voor de elite. Nederlandse couturiers en hun klanten 1882-2000.

Balans, 237 blz. ƒ49,50