Fortuna, fatum, lot

Vergilius' epos `Aeneis' geldt als een hoogtepunt van de klassieke literatuur. M. d'Hane-Scheltema vertaalde het opnieuw, in versregels. ,,Poëzie moet poëtisch vertaald worden.''

De klank van Vergilius' Aeneis, dat is voor Marietje d'Hane-Scheltema, vertaalster van wat nu Het verhaal van Aeneas heet, wel één van de belangrijkste aantrekkelijkheden. Het is een epos dat je moet horen, liefst met een groepje mensen.

,,Als je het stil leest dan ontgaat je veel. Hoe prachtig het is blijkt pas als je het hardop leest in het latijn. Als je het iemand goed hoort voordragen heeft het bijna de werking van een mooi concert. Joop Keesmaat van het Ro Theater leest de eerste vier boeken voor in deze vertaling, hij vertelt alleen maar. Dan merk je hoe een volle schouwburgzaal daardoor geboeid kan raken. Dit is poëzie die bij uitstek beluisterbaar is. Het lijkt soms wel alsof iets tweemaal wordt gezegd, maar dat is nooit zo. Je kunt bij Vergilius eigenlijk geen woord schrappen, hij varieert heel subtiel.

,,Je moet het niet stil lezen van regel 1 tot en met de laatste. De Aeneis werd voorgedragen, telkens zo'n 4 à 500 regels per keer. Als je alles achter elkaar door leest dan is 't misschien inderdaad wat - eh...'' D'Hane zoekt naar een woord dat enigszins tegemoet zou komen aan de wat oneerbiedige geluiden die er de laatste tijd naast de bewonderende wel opklinken ten aanzien van Vergilius' meesterwerk. Dat het verhaal nogal voorspelbaar zou zijn. Dat Aeneas zo'n dooje diender is. Dat het helemaal zo duidelijk niet is waarom hij per se Rome moet stichten en ook niet waarom hij, als dat dan toch moet en vaststaat, eerst zo veel oorlog moet voeren. In zijn onlangs verschenen Boeken die ertoe doen verwerpt classicus Piet Gerbrandy de hele Aeneis om dergelijke redenen.

In zijn epos Aeneis beschrijft Vergilius hoe de Trojaanse held Aeneas het verwoeste Troje verlaat om een nieuwe stad te stichten, de stad die later Rome worden zal. De held, moet zijn liefde voor koningin Dido verzaken, stormen op zee trotseren, ziektes, oorlogen. Hij moet afdalen in de onderwereld en zijn soms opstandige volk bijeen houden — allemaal uit naam van de toekomst van zijn zoon Julus, die koning van een groot rijk moet worden.

,,Aeneas is een symbolische figuur,'' zegt D'Hane-Scheltema. ,,Hij wordt door de goden als een marionet behandeld. Nu ja dat is een beetje overdreven, maar hij heeft zelf niet veel te willen. Hij is iemand die de opdracht heeft om een volk of een staat het beste te geven. Ik denk dat Vergilius sterk aan keizer Augustus heeft gedacht, dit is bijna een huldiging van hem – zolang je hem niet als mens maar als keizer ziet.''

In het epos wordt Aeneas steeds `pius' genoemd, een woord dat vroeger wel als `vroom' werd vertaald. D'Hane-Scheltema vertaalde `pius' met `edel'. Een wat kleurloos woord, schrijft ze in haar inleiding, maar als klank heel bruikbaar.

,,`De edele Aeneas' dat klinkt wel goed met al die e's, daarom heb ik dat gekozen. `Pius' is een onmogelijk woord, het is ook verkleurd door al die pausen die zo heetten. `Vroom' dat zeg je nu niet meer in de betekenis die hier bedoeld wordt, de betekenis van trouw, standvastig en dergelijke.'' Ze neuriet: `Bergen op Zoom, houdt u vroom' en ontdekt dan ineens dat `vroom' daar nog gebruikt is zoals `pius' bedoeld is.

Vijlen

D'Hane-Scheltema heeft geen proza willen maken van Vergilius' poëzie, zoals ze eerder ook Ovidius' Metamorfosen als poëzie vertaalde. Ze heeft het zichzelf daardoor niet makkelijk gemaakt — door het metrum zijn sommige woorden of woordvolgordes onmogelijk, de regels moeten vollopen, er moet rekening gehouden worden met de klank. Ze koos voor zevenvoetige jambes in plaats van de klassieke zesvoetige dactylen.

D'Hane: ,,Poëzie moet poëtisch vertaald worden. Dat zou ook in poëtisch proza kunnen, maar dan mis ik zelf toch heel veel. Bovendien is de poëtische dwang heel stimulerend en inspirerend. Ik krijg het gevoel dat ik technisch zo het meest nader tot wat Vergilius of Ovidius deden. Vergilius is heel lang met zijn werk bezig geweest, hij heeft er wel tien jaar aan zitten vijlen. Ik geloof dat iedereen wel toegeeft, zelfs Piet Gerbrandy, dat het heel mooie poëzie is. Hij gebruikt bijvoeglijke naamwoorden zoals ze nooit door een ander gebruikt waren, bijvoorbeeld `een ziek landschap' als het om een door de oorlog aangetast landschap gaat. Een beetje metaforisch gebruik van de taal, maar niet te veel.

,,Doordat je het in een bepaald metrum giet, vind je oplossingen waar je anders niet toe komt. Soms denk ik dagen over een enkel woord. Dido klimt op een brandstapel, dat is jambisch onmogelijk want dan moet je lezen `brandstápel'. Dus dat kan niet. Die jamben zijn nu eenmaal ons Nederlandse metrum en ze hebben het voordeel dat enjambementen dan ook kunnen. Er zijn wel mensen die daar moeite mee hebben, die lezen het echt regel voor regel. Je moet gewoon doorlezen tot er een punt staat.''

Er zijn passages die haar achteraf tot tevredenheid stemmen.

,,De dood van koningin Amata bijvoorbeeld, toen ik dat vertaald had, was ik echt tevreden, ik dacht: dit is het helemaal. Een enkele keer bekruipt je zelfs de arrogante gedachte dat het beter is dan wat Vondel heeft gedaan. Vondel heeft Vergilius prachtig vertaald, maar het stikt wel van de rijmdwang en stoplappen. Daarom is het zulk boeiend werk, vertalen. Ik denk dat een origineel dichter dat soms ook heeft, die tevredenheid om een regel.''

Ik vertel haar dat de dichteres en classica Ida Gerhardt, die zelf Vergilius Georgica vertaalde, de Aeneis een mislukking vond. In een brief aan de toenmalige directeur van uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep ontraadde ze hem de uitgave: ,,Naast de prachtige Bucolica en Georgica van Vergilius is de Aeneis hem door keizer Augustus opgedrongen, een jammerlijke mislukking, een `moetje'.''

D'Hane: ,,O, dat verbaast me. Misschien ligt dat ook aan al dat oorlogsgeweld in de tweede helft van de Aeneis, boek 7 tot en met 12. Hoewel dat gedeelte eigenlijk een heel modern probleem beschrijft – Aeneas komt met zo'n duizend mensen Latium binnenkomt, want zoveel zullen het toch wel ongeveer geweest zijn, letterlijk als allochtonen. Daar moet wel veel bij gevochten worden. Juist aan het begin van die oorlogsboeken, zegt Vergilius dat hij nu een nog moeilijker deel moet beschrijven: `Steeds zwaarder wordt de gang van mijn verhaal, steeds zwaarder de taak die ik mij stel...'.

,,Hij doet dat heel knap. Aanvankelijk biedt koning Latinus vrede en zelfs zijn dochter aan, maar door toedoen van de goden, vooral door Juno, worden er op drie verschillende plaatsen brandhaarden veroorzaakt. Dat gaat dus buiten de mensen om. En zo ìs het ook vaak, dat door futiele dingen grote onenigheden ontstaan. Er wordt zo prachtig beschreven hoe koningin Amata, die huiverig staat tegenover de vreemdeling aan wie haar dochter uitgehuwelijkt gaat worden, en de aanvankelijke schoonzoon Turnus steeds furieuzer worden. En er is er nog een incident met een hert dat Julus per ongeluk dood schiet. Dan vlamt het uit - prachtig, vind ik. Het verbaast me dat Ida Gerhardt dat niet gezien heeft. Maar ja, je leest natuurlijk nooit alles goed. Mij is dat ook pas tijdens het vertalen opgevallen.''

Almacht

We komen te spreken over de invloed van de goden, over de eigenaardige tegenstelling tussen `het lot' waar ook de goden voor moeten buigen, en de goddelijke `almacht'. ,,Fortuna/ wint altijd weer; laat ons maar volgen en de richting gaan/ die zij ons wijst.''

,,Goden horen bij een epos. Dat die goden de mensen zo leiden en beregelen dat is voor ons ver weg. De verteller kan alles op de goden terug voeren. Dat weerhoudt de dichter om een werkelijke gemoedsstrijd van Aeneas te beschrijven. Dat is misschien het zwakke van het verhaal voor ons, dat het steeds de goden zijn, dat er geen ethische motieven aangevoerd worden. Er zijn weinig eigen impulsen. Aeneas die op het laatst even overweegt Turnus te sparen maar hem dan toch doodt, zonder bemoeienis van de goden, dat is een uitzondering.''

,,In boek 10 vindt een godenvergadering plaats waarbij Venus, de moeder van Aeneas, ruzie maakt met Juno, die boos is op de Trojanen en dus tegen Aeneas is. Ieder wil haar zin krijgen. Jupiter zit het voor. Hij zegt niets anders dan dat het nu eenmaal gaat zoals het lot beslist: `het fatum wijst de weg'. Dat is een erg slappe houding. Ik vraag me af of Vergilius dat met opzet zo heeft gedaan, of dat hij dat zelf zo niet gevoeld heeft. Dat zijn de momenten waarop men zich wat ongemakkelijk voelt - je zou willen dat er meer werd uitgelegd.''

In haar vertaling Het verhaal van Aeneas komen drie woorden voor het lot voor: Fortuna, fatum en lot. Betekenen die ook iets verschillends?

,,Fortuna is de godin van het lot, maar ze is weer niet een van de schikgodinnen, de Parcen. Het fatum is het lot dat door de Parcen gesponnen wordt, dat staat vast. Dat beschrijft Ovidius aan het eind van de Metamorfosen, dat het lot als op bronzen platen is vastgelegd, daar valt niets aan te veranderen. Ik geloof niet dat Fortuna dát lot beschikt, de goden voeren het uit, omdat er niets anders op zit. Er zijn plekken waar je denkt: moet het wel met een hoofdletter, is het hier niet meer gewoon `het lot', als abstract begrip. Die verhouding tussen Fortuna, de schikgodinnen en het abstracte lot is ingewikkeld, dat is mij eerllijk gezegd niet helemaal duidelijk.''

De moeilijkheden zitten niet in het verhaal zelf, dat is over het algemeen duidelijk. Zeker voor Vergilius' tijdgenoten - de dichter gebruikte bekende stof.

D'Hane: ,,Zijn tijdgenoten moeten geboeid zijn geweest door de variaties die hij aanbracht en door de eigen verbanden die hij in de verhalen legde. Dat Aeneas naar het westen getrokken was, was al een bekend verhaal. Er werd al eeuwen verteld hoe hij Latium binnen wilde dringen en dat het hem na veel moeite zou lukken. Ook werd al verteld dat Carthago gesticht was door Dido die uit Foenicië afkomstig was. Maar het verband tussen Aeneas en Dido dat heeft Vergilius gelegd - zoals Harry Mulisch van het verhaal van Jules Croiset een eigen verhaal maakte. Troje is zo ongeveer 1200 voor Chr. verwoest en Carthago is zo'n beetje 800 v. Chr. gesticht, dus Dido en Aeneas konden elkaar nooit ontmoet hebben. Vergilius' tijdgenoten wisten dat. Dat zet het verhaal op een hoger plan.''

De liefde tussen Dido en Aeneas is het meest bekende gedeelte van de Aeneis en ook het meest populaire. De Carthaagse koningin ontvangt de schipbreukeling gastvrij en door toedoen van Venus en Juno, die, elk met een eigen oogmerk, met elkaar samenspannen, wordt ze verliefd op hem. De liefde lijkt geheel wederzijds, maar dan komt er een boodschapper van boven: ,,Waarom hang je rond in Libische contreien?'' Aeneas moet weg, voor zijn zoon: ,,hem is Romeins gebied en macht in Italië beloofd''. En hij gaat, hij probeert zelfs zo snel mogelijk en in het geheim te vertrekken.

D'Hane: ,,Mensen vergeten vaak dat Dido eigenlijk wel wist dat Aeneas weg moest gaan. Dat had hij gezegd. Ze kan nog wel de hoop hebben dat hij dat nieuwe Troje met Carthago zal verbinden, maar er is niets dat hem werkelijk bindt. Dat symbolische huwelijk dat ze gesloten hebben is heel vaag. Vergilius beschrijft het prachtig, maar je weet eigenlijk niet goed wat er gebeurt.

,,Waarom Juno die verbintenis tussen Aeneas en Dido wil is evenmin duidelijk, waar is ze precies op uit? Ze wil in ieder geval verhinderen dat er een nieuw Troje komt - maar dat zou als Aeneas bij Dido gebleven was toch in Carthago ontstaan zijn.''

Dido wordt eigenlijk gebruikt door Juno en Venus. Juno zegt ijskoud: ,,Een prachtig, gedenkwaardig feit, wanneer/ twee goden met hun listig spel één vrouwenziel beheersen!'' Zo prachtig is dat toch niet.

,,Dat `prachtig', mirabile staat er in het latijn, dat moet wel ironie zijn. Van Vergilius, niet van Juno.''

Vergilius: Het verhaal van Aeneas. Vert. door M. d'Hane-Scheltema. Uitg. Athenaeum-Polak & Van Gennep. Prijs f75,-