`Flaubert combineerde precisie en droom'

``Salammbô van Gustave Flaubert heb ik leren kennen dankzij de neerlandicus Jaap Goedegebuure', vertelt Fik Meijer in zijn werkkamer op het instituut voor Oude Geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. ``Hij zei: dat moet je eens lezen. Dat was rond 1975. Ik las het boek eerst vluchtig, in de prachtige vertaling van Hans van Pinxteren, en was meteen onder de indruk. Maar ik ben pas echt onder de indruk geraakt toen ik later met vrouw en kinderen naar Carthago ging, waar het boek zich afspeelt.'

Fik Meijer (57) studeerde klassieke talen in Leiden, en gaf reeds in de scripties waarmee hij in 1967 afstudeerde blijk van zijn interesse in de maritieme aspecten van de oudheid. In 1992 werd hij bijzonder hoogleraar in de zeegeschiedenis van de klassieke oudheid aan de Universiteit van Amsterdam. Meijer heeft tal van publicaties op zijn naam staan, waaronder samen met Marinus Wes gemaakte vertalingen van de historici Flavius Josephus en Gregorius van Tour. Een paar maanden geleden verscheen Twintig eeuwen zien op u neer, tijdens de boekenweek kwamen De klassieke oudheid in een notendop en Op zoek naar het Romeinse rijk uit. In deze boeken behandelt hij samen met Herman Beliën de geschiedenis voor het grote publiek.

Meijer: ``De Carthagers waren grote zeevaarders, dat heeft me altijd erg aangesproken. De beroemde Carthager Hanno zou al rond Afrika zijn gevaren. Ze hebben het westelijk gebied van de Middellandse Zee lang beheerst, voordat de Romeinen daar zaten.

``In 1980 ging ik naar Carthago om de haven te bekijken, een rare, ronde haven die uniek is in de oudheid. Ik had het boek van Flaubert meegenomen. We liepen over de opgravingen rond en eigenlijk zag je niets, zoals zo vaak bij opgravingen. Ik kon de stad niet duiden. Dezelfde avond begon ik in Salammbô, in het Frans ditmaal, en ik heb toen drie dagen zitten lezen. We zaten op dat moment in een kustplaatsje, maar ik wilde meteen terug naar Carthago. Ik wilde het opnieuw zien, omdat Flaubert er in geslaagd was om het beeld op te roepen van die stad, waar nauwelijks iets over bekend is.

``Carthago werd in 146 voor Christus door de Romeinen verwoest, opnieuw opgebouwd, en van de oude Carthaagse stad weten we bijna niets. Flaubert heeft begin 1858 zo'n twee maanden op de puinhopen rondgelopen, en daar vervolgens een roman gesitueerd die zich afspeelt tussen 241 en 238 voor Christus. Dat is een periode waarin de huurlingen tegen Carthago in opstand kwamen, omdat ze niet betaald werden voor hun diensten in de oorlog tegen de Romeinen. In het boek ontspint zich een prachtig verhaal, van de liefde tussen Salammbô, de dochter van de Carthaagse veldheer Hamilcar, en de huurlingenleider Mâtho. Het boek gaf me echt een indruk van hoe het geweest zou kunnen zijn. Zonder dat Flaubert op de hand is van de Carthagers, schetst hij het beeld van een prachtige stad en de bewoners. Hoe hij die mensen beschrijft, de studie die hij heeft verricht om de wapenuitrustingen en gewaden precies te kunnen beschrijven. Ik vind het briljant geschreven. En hij heeft zich ongelofelijk goed voorbereid. Niet alle details kloppen, maar dat vind ik niet erg. Het sfeerbeeld dat hij geeft is het belangrijkste. Als je precies wilt verifiëren wat er wel en niet geweest is, dan koop je het boek van Serge Lancel over Carthago. Lancel zegt trouwens ook dat Flaubert het prachtig gedaan heeft.'

In Salammbô worden vele wreedheden beschreven, zoals de Carthaagse kinderoffers aan de god Moloch. Het beeld van de oudheid als de bakermat van onze beschaving is ver te zoeken. Meijer: ``Ik vind het ook gevaarlijk om de oudheid alleen als beschavingsgeschiedenis te zien. In het Romeinse rijk woonden in de eerste, tweede eeuw na Christus ongeveer zeventig miljoen mensen. Waar weten we iets van? Van een piepkleine toplaag, die leefde in Rome, Athene, Alexandrië. Maar over 99 procent van de mensen weten we niets. Als je een Griekse roman leest, waar allerlei schurkenstreken en meeslepende figuren in voorkomen, krijg je meer inzicht in die tijd dan wanneer je al die prachtige gedachten leest van Cicero.

``De Carthagers staan ook in de Romeinse literatuur bekend als wreed. Het probleem is natuurlijk dat bijna alles wat we van de Carthagers weten, uit Romeinse bron stamt. De oorlogen tussen de Romeinen en Carthagers worden beschreven door Livius, en dat is een pure Romein. Hij noemt de Carthagers perfidi, trouweloos. Van dat beeld moest Flaubert ook gebruik maken.

``Flaubert combineert in Salammbô historische precisie met een droomachtige sfeer. Hij is weggedroomd over hoe die stad eruit gezien kan hebben. Ook bij Edward Gibbon is een mijmering de aanleiding geweest tot het schrijven van The Decline and Fall of the Roman Empire. In 1764 zit Gibbon op een mooie zondagnamiddag op het Forum bij het Capitool, en dan hoort hij Franciscaner monniken de Vespers zingen. Hij vraagt zich af: hoe kan dat nou, dat hier nu het christendom zit, waar ooit het centrum van dat grote Romeinse rijk was. Gibbon was natuurlijk een historicus en Flaubert niet. Maar waarom zou het niet mogen, om aan de hand van de gegevens een bewogen beeld te schetsen?

``Het probleem met de huidige wetenschap is, dat als je ergens over wilt schrijven je je door een berg literatuur moet heenploegen, om tot de conclusie te komen dat het meeste al gezegd is. In die zin had Gibbon het makkelijker. En de wetenschap is zo specialistisch geworden dat je met collega's nauwelijks meer over je eigen onderzoek kunt praten. Daarom is het belangrijk om te generaliseren, om ook de grote lijnen te laten zien. Ik schaam me er dan ook niet voor om populair-wetenschappelijke boeken te publiceren.

``Het belang van Salammbô is, dat Flaubert een beeld geeft van de oudheid dat aanspreekt, een beeld dat het grote publiek een idee kan geven van hoe het toen was. Er zijn allerlei moeilijke artikelen verschenen over de graanprijs in het Romeinse rijk van 201 tot 213. Dat is nuttig. Maar een algemeen beeld creëren vind ik ook belangrijk. Het moet geen dood, feitelijk verhaal zijn. Dan gaan sommige mensen zeggen: je hebt oude geschiedenis en je hebt echte geschiedenis.'

Gustave Flaubert: Salammbô. Vertaald door Hans van Pinxteren,

Athenaeum-Polak & Van Gennep, 344 blz. ƒ57,50