`Een heuse openbaring'

,,Voor wie in de jaren zeventig politiek ontwaakte, leek het begrip `linkse intellectueel' een pleonasme. Voor velen [...] gold Harry Mulisch' uitspraak dat rechts alleen belangen had, terwijl links de ideeën bezat, als een onaantastbare waarheid.'' Zo begint Rob Hartmans zijn zojuist verschenen boek Vaarwel dan! Intellectuelen en hun illusies (uitg. Aspekt).

Hartmans, die schrijft in de linkse weekbladen De Groene Amsterdammer en HN Magazine (vroeger: Hervormd Nederland), heeft het hier ook over zichzelf, maar zijn ontdekking ,,dat er wel degelijk `rechtse' intellectuelen bestaan'' was voor hem ,,een heuse openbaring''. Zijn boek gaat over die denkers, ,,die de vinger legden op tal van zere plekken die de gemiddelde linkse intellectueel het liefst met de mantel der liefde zou bedekken. Blijkbaar had `rechts' wel degelijk ideeën'' (en is Mulisch dus niet zo onfeilbaar als hij zelf denkt).

Maar onder de door Hartmans besproken intellectuelen zijn er maar weinig Nederlanders. In dit hiaat lijkt het laatste nummer van het documentatieblad Geschiedenis van de wijsbegeerte in Nederland te voorzien, dat gewijd is ,,aan Conservatisme in Nederland ca. 1780-1940''. Het bevat de referaten die vorig jaar gehouden zijn op een colloquium over dit onderwerp.

Wat bij het lezen van dit nummer opvalt, is dat van die zes referaten er eigenlijk maar weinige over echte conservatieven gaan. Blijkbaar heeft Nederland, anders dan andere landen, in die periode inderdaad slechts weinig interessante conservatieven geproduceerd. Daar zijn wel verklaringen voor te geven.

Een van die verklaringen luidt: als Republiek kende Nederland geen sterke agrarische en feodale tradities, maar bezat het al sinds de zestiende eeuw een relatief welvarende kapitalistische burgerij. Dat was, in de wereld van toen, een progressief verschijnsel. Wie in de negentiende eeuw iets in Nederland wilde behouden, viel dus terug op een model dat modern was. Dat is voor een conservatieve ideologie natuurlijk geen vruchtbare bodem.

Als er in Nederland in die periode van conservatisme sprake was (en ik bedoel daarmee niet het conservatisme als habitus, dat eenieder eigen is die aan iets gehecht is, maar het conservatisme als denkrichting), dan uitte dit zich voornamelijk in verband met de godsdienst. De eerste twee referaten gaan dan ook over het religieus conservatisme, waarvan Bilderdijk de bekendste vertegenwoordiger is, en de socratische wijsbegeerte van Ph.W. van Heusde (1798-1839), die een grote invloed heeft gehad op de zogenaamde Groninger theologie.

Natuurlijk heeft het religieuze conservatisme ook, onmiddellijk of zijdelings, invloed gehad op het politieke denken. We hoeven maar te verwijzen naar de protestantse opwekkingsbeweging het Réveil, waarvan Bilderdijk (1756-1831) een voorloper was en waartoe de politicus G. Groen van Prinsterer (1801-1876) behoorde, die nog altijd in gereformeerde kring vereerd wordt.

Misschien is het niet overbodig er in het voorbijgaan aan te herinneren dat een religieus conservatisme allerminst sociaal conservatisme hoeft te impliceren. Het Réveil had voormannen die, voor hun tijd, sociaal progressief waren, en de Antirevolutionaire partij was dat eveneens. Omgekeerd waren er conservatieven die in religieus opzicht antiklerikaal waren. Zo Rijklof van Goens (1748-1810).

Ph.W. van Heusde propageerde een humanistisch conservatisme. Of hij een belangrijk denker was kan betwijfeld worden. Thorbecke noemde zijn belangrijkste werk een ,,leuterachtig boek''. Niettemin had hij invloed, niet alleen op de Groninger school, die bestreden werd door alles wat niet-humanistisch was (bijv. het Réveil), maar ook op het zogenaamde Grootprotestantisme, dat in de jaren '50 kort gebloeid heeft als reactie op het door Thorbecke toegelaten herstel van de bisschoppelijke hiërarchie.

Over conservatisme als uitsluitend politieke stroming handelt slechts één referaat, dat nog wel het kortste is. Het gaat over de conservatieven en Thorbeckes `revolutie' van 1848, en er blijkt uit dat zelfs deze conservatieven geen alternatief voor 1848 hebben ontwikkeld. Ook zij waren voor hervorming, zij het geleidelijker dan Thorbecke wilde. Na 1870 verdween een conservatisme dat zichzelf conservatief durfde noemen, uit de politiek.

Dat weerspiegelt zich in de drie laatste referaten. Die gaan over mannen die nauwelijks conservatief genoemd kunnen worden: C. Gerretson (1884-1958), E. Verviers (1886-1968) en J.H. Carp (1893-1979). Zij allen waren antidemocraat. Dat maakt ze nog niet tot onbelangrijke denkers, maar ze vallen buiten het kader van de rechtsstaat en zijn daarom minder relevant.

Gerretson is de bekendste. Een briljant, maar grillig man; hoogleraar in Utrecht (maar zijn proefschrift heeft niemand ooit gezien). Vóór de oorlog speelde hij een rol in de verschillende fascistische partijtjes die er vóór de NSB waren; na de oorlog zat hij voor de ruimhartige Christelijk-Historische Unie in de Eerste Kamer, waar hij eens een minister voor landverrader uitmaakte. Kleurrijk, maar als politiek denker toch nauwelijks serieus te nemen.

Dat geldt ook voor de rooms-katholieke Verviers, wiens `zedelijk conservatisme' de gedaante aannam van een militant lokaal patriottisme, dat een tegenwicht moest bieden aan de `dwingelandij van Den Haag'. Hij eindigde in de NSB. De meest serieuze van de drie was misschien Carp, wiens spinozistische geschiedbeschouwing hem er ten slotte toe bracht ,,over te gaan in de levende concrete gemeenschapsvormen der nationale volksverbondenheid'', die hij eveneens belichaamd zag in de NSB.

Fascistische en nationaal-socialistische bewegingen zijn radicale, revolutionaire bewegingen. Wie zich daarbij aansluit kan niet (meer) conservatief genoemd worden. Gerretson, Verviers en Carp horen dus, hoewel curieuze figuren die op zichzelf een verhandeling waard zijn, eigenlijk niet in een uitgave over conservatisme thuis.

Dan eerder Huizinga (1872-1945), met wie vergeleken de genoemde tijdgenoten dwergen waren. Hij achtte het ,,volstrekt niet paradoxaal te beweren dat een cultuur aan een zeer wezenlijke en onbetwijfelbare vooruitgang zeer wel te gronde kan gaan'' (in In de schaduwen van morgen (1935) – een titel die op zichzelf al bijna een conservatieve geloofsbelijdenis is). Maar Huizinga wordt in de referaten zelfs niet genoemd.

(Overigens sliep zelfs Huizinga wel eens: het is juist wél paradoxaal te beweren dat een cultuur aan vooruitgang te gronde kan gaan, want een paradox is een schijnbare tegenstelling, en daar gaat het hier om.)