Een haarklem op het aanrecht

Voor het Amsterdamse gemeentearchief aan de Amsteldijk staat een billboard met een foto die laat zien hoe dit gebouw en zijn naaste omgeving er ruim honderd jaar geleden uitzagen. De foto is van Jacob Olie (1834-1905), het billboard staat er ter gelegenheid van de tentoonstelling van deze fotograaf in het gemeentearchief.

Ik sta lang naar de foto te kijken. Niet alleen omdat de vergelijking van dit stukje stad toen en nu zo fascinerend is – wat heeft een eeuw, in onze ogen van nu, allemaal aan schoons vernield: zie nu toch dat treurig makende autoblik, zie nu toch die architectonische miskleunen, zie nu toch die truttige drijvende bungalows langs de oevers van de Amstel. Maar ook omdat op de foto nog net een heel klein stukje van het huis is te zien waar ik mijn lagereschooltijd heb gewoond, eind jaren vijftig: Amsteldijk 75, telefoon 91239.

Een statig huis: souterrain, vier verdiepingen, ornamentjes in de gevel en een lantaarnachtig torentje als bekroning op het dak. Wij, mijn ouders, mijn vier zusjes en ik, woonden op de eerste en tweede verdieping. Vóór had je een nog onbedorven uitzicht over de Amstel, achter keek je in een vijftig meter diepe tuin, die helemaal doorliep tot aan Cinétol, de bioscoop in de Tolstraat.

Dat je daar zo bijzonder woonde, besefte je eenvoudigweg niet. Je had andere dingen aan je hoofd. Kocht je van je laatste stuiver weer een stengel zoethout of ging je nog een keer met het voetgangerspontje heen en weer, dat voor onze deur aanmeerde? Het drong pas tot me door – maar toen was het al te laat – toen Bert Haanstra op een mooie dag aanbelde en vroeg of hij onze tuin mocht zien.

Haanstra was na het succes van Fanfare – we schrijven voorjaar 1960 – bezig met een nieuwe film, De zaak MP. Manneke Pis dus. Voor een bepaalde scène zocht hij een Belgisch uitziende locatie, en ons huis leek hem wel wat! Merkwaardig, want in de gang stonden toen al de eerste verhuisdozen: wij gingen juist naar Brussel verhuizen.

Er kwam heel wat bij kijken voordat er `met ónze stroom' – dat moeten de woorden van mijn moeder zijn geweest – een stukje film kon worden opgenomen. In de tuin werd een enorme duiventil geplant en mijn vader werd aangewezen als duivenmelker, een roeping waar hij als dominee niet veel baat bij kan hebben gehad. Tot drie keer toe moest Haanstra een nieuwe lading sierduiven laten aanrukken: de lamlendige beesten vlogen weg of vielen ten prooi aan een invasie van buurtkatten. Van alle Bekende Nederlanders die de deur bij ons platliepen ben ik vreemd genoeg de namen vergeten, behalve van Albert Mol, maar die had dan ook de hoofdrol. Hij moest even flink boos worden, op een blondje geloof ik, en dan een schop tegen de duiventil geven, waarna alle duiven, voor zover die er nog waren, wegfladderden. Dat was het. Een nieuwe opname kon pas beginnen, uiteraard, als er weer voldoende duiven in de til hokten.

Voor deze scène rolde de ene middag na de andere een complete cast door onze keuken de tuin in. En terwijl de aardappels al stonden te pruttelen, bleef mijn moeder eindeloos potten thee en koffie zetten voor het wufte filmbedrijf. Ons huis rook nu niet meer naar spruitjes of bloemkool, maar naar parfum. Bedwelmende, opwindende parfum! Aan de kopjes ontdekte ik voor het eerst sporen lippenstift en eens vond ik, na afloop van weer een halfgelukte opname, op het aanrecht een heerlijk geurend haarklemmetje. Ik heb het bewaard totdat alle geur eraan vervlogen was, maar toen woonden we al lang en breed in Brussel.

Inderdaad is de stroom volgens goed Hollands gebruik nooit vergoed. Maar De zaak MP bleek een flop, dus wat wil je. Na Fanfare sloeg de film niet aan, met zijn wat gekunstelde gesol met beeldjes van Manneke Pis en Hansje Brinkers, onze held die met zijn vinger in de dijk Nederland behoedt voor erger.

Zodra we lazen dat de film in Rotterdam draaide, propten we ons met z'n zevenen in onze middenklasser, een Fiat 1100 met Pirellibanden, waarvan er op de Belgische kasseien en onder de last van het kroostrijke gezin bij elke friteskraam wel één lek ging. In het duister van de Rotterdamse bioscoop liep de vertoning uit op één grote ontgoocheling. Als je net even op het verkeerde moment met je ogen knipperde, had je het al gemist: de Grote Scène in onze tuin met Albert Mol en zijn trap tegen de duiventil.

Ik laat het billboard met Olie's foto achter me en loop naar Amsteldijk 75. Daar ga ik het trapje op naar het bordes voor beide voordeuren. De rechter was de onze. Naast de deur hangt nu een bord van een architectenbureau. In de voorkamer, waar vroeger mijn vader uitkijkend over de Amstel zijn preken voor de goegemeente in Amsterdam-Oost zat te bedenken, werken nu jonge mensen kijkend tegen schrootjesbungalows, aan de verdere verfraaiing van het stadsbeeld. In de verte, voorbij de Berlagebrug, zie ik het lichtpuntje in de top van de Rembrandttoren aan- en uitgaan. Het lijkt op een voortdurend knipogen naar Olie, over de stad heen, over de eeuwen heen. Want o, wat zal dit alles over een eeuw verder aan schoonheid hebben gewonnen.