De schijn van een stijgende lijn

Rolf Schuursma schreef een geschiedenis van Nederland in de jaren tussen 1900 en 1930 en verwerkte alle dimensies ervan: de aardrijkskunde en de sociale verhoudingen, de economische groei en de culturele vernieuwing, de binnenlandse democratisering en de buitenlandse politiek. Zijn boek begint met de stormvloeden in 1806 (Zeeland) en 1916 (Noord-Holland) en eindigt met de val van minister Van Karnebeek (Buitenlandse Zaken) in maart 1927. Men moet misschien de onverstoorbaarheid bezitten van de outsider om de bestaande academische neiging tot wetenschappelijke specialisatie zo te trotseren en zelf een breed terrein te willen bestrijken. Schuursma begon zijn werk toen hij bibliothecaris was van de Erasmus Universiteit. Hij voltooide het na zijn pensionering. Het resultaat is in ieder geval een historische verhandeling, die verrast door haar reikwijdte maar ook door een vlakte van feiten en ontwikkelingen zonder opmerkelijke hoogten en dalen.

`Jaren van opgang' heeft de auteur zijn tijdvak genoemd. Want achteraf bezien bieden de drie decennia vanaf 1900 over de gehele tijdsduur genomen hem het beeld van nationale groei en verbetering; van de openlegging van het platteland en van de uitbreiding van de politieke democratie, van de kwaliteitsverbetering van het onderwijs en van een actieve buitenlandse politiek. Schuursma rekende tot de opgang ook het hoogtij van kolonialisme in Nederlands-Indië `met alle verwerpelijke uitingen daarvan'. Hij noemt vervolgens de voltooiing van de bestuurlijke pacificatie en een booming bussiness in de buitengewesten. Volgt men de auteur in zijn meting van de toestand van 1900 en die van 1930, dan valt er inderdaad nogal wat opgang te bespeuren.

Toch valt er op deze lapidaire aanduiding van de drie decennia wel wat aan te merken. In dit perspectief verdwijnt de Eerste Wereldoorlog als een bijzondere gebeurtenis met een eigen dynamiek. In Schuursma's boek wordt zij opgedeeld in diverse hoofdstukken en dus versnipperd behandeld. Deze onderschikking is overigens geen uitzondering in de Nederlandse geschiedschrijving. Het neutrale Nederland werd geen slagveld, op wat vergeten bombardementen en getorpedeerde of geconfisqueerde schepen na. Dientengevolge blijven de stemmingen en het hongeroproer buiten beeld alsmede de naoorlogse democratiseringsgolf en de explosie van kunstzinnige vernieuwing in Europa, die zonder de factor van de oorlog niet is te begrijpen.

Stagnatie

De prettig eigenzinnige Schuursma stapt bovendien wel makkelijk heen over de vragen die zijn afbakening oproept. Het jaar 1900 kiest hij als begin, omdat het bij het aanbreken van de 21ste eeuw een natuurlijk brandpunt is voor het achteromkijken. Het jaar 1930, zijn einde, is eigenlijk een `overgang' naar wat hij de grauwe periode van de werkloosheid en de Tweede Wereldoorlog noemt. Het is voor hem een ogenblik om stil te staan bij de decennia ervóór, want de oorlog en de crisis zijn geen opgaande verschijnselen. Impliciet geeft hij in deze sombere redenering aan, dat zijn trefwoord `opgang' na 1930 aan historische betekenis verliest. Aan het einde van zijn betoog spreekt hij expliciet van stagnatie in de jaren dertig. Schuursma's boektitel is niet alleen een vondst maar ook een gelegenheidsargument.

In de breedte van zijn aanpak speelt de auteur hier en daar ook een thuiswedstrijd. Schuursma, ooit vernieuwend onderzoeker en ook filmmaker op het veld van de film en wetenschap, begint zijn verhandeling over dit nieuwe medium met een vermelding van de mislukking van vroege plannen om in 1919 een Nederlands Centraal Filmarchief te stichten. Hij komt over de nieuwe kunst te spreken vanuit een uitvoerige beschrijving van de avant-garde in Nederland in en na de Eerste Wereldoorlog met de beeldend kunstenaars Mondriaan en Theo van Doesburg als belangrijkste representanten. Daardoor wordt zijn invalshoek, de artistieke belangstelling voor het nieuwe medium, geconcretiseerd in het stichten van een Filmliga in 1927. Dat is bijna te mooi om historisch waar te zijn. Maar via deze `elitaire kring' moet hij vervolgens toch terugkeren naar de ware en commerciële aanvangsfase van het medium; de creatie van droomwerelden buiten de gebruikelijke kleinburgerlijke huiskamer.

Ook in zijn behandeling van de Nederlandse muziekgeschiedenis onderscheidt Schuursma zich van Nederlandse historici, die zich al sinds P.J. Blok kenmerken door beroepsmatige gehoorgestoordheid en veronachtzaming van het onderwerp. De auteur werd de weg gewezen door zijn echtgenote, de etnomusicologe Ann Robinson, aan wie het boek is opgedragen. Het gevolg is een adequate aandacht voor de pionier van het volkskundig onderzoek, Jaap Kunst, die overigens grotere bekendheid kreeg door zijn ontdekking en expertise van de Javaanse muziek van de gamelan. Schuursma behandelt de Nederlandse componisten op een vergelijkbare wijze als de beeldende kunstenaars en schrijvers, ook al was er nauwelijks een `voedingsbodem voor een typisch Nederlandse componeertrant'. In zo'n hoofdstuk toont hij zich op zijn best als een informatieve en heldere auteur, maar er komt helaas ook geen ironisch of onvertogen woord over zijn lippen.

Kanaalverdrag

De derde thuiswedstrijd speelt Schuursma, wanneer het gaat om de buitenlandse politiek van Nederland na de Eerste Wereldoorlog. Niemand anders zou op de gedachte zijn gekomen om het boek te laten sluiten met de politieke val van de minister van Buitenlandse Zaken, Van Karnebeek, naar aanleiding van de verwerping door de Eerste Kamer van het Kanaalverdrag met België. Daarna ging het tussen beide landen `verder, maar met weinig elan'.

De kwestie van het Kanaalverdrag verwijst naar de Eerste Wereldoorlog, omdat het een uitvloeisel was van een conflict over Belgische eisen tot annexatie van Zuid-Limburg en Zeeuws-Vlaanderen. Het verwijst ook naar de Tweede, omdat de nationalistische campagne tegen het verdrag een politieke leerschool werd voor de secretaris van het comité, de `jonge, energieke ingenieur' Anton Mussert. Schuursma, als student onder het gehoor van de Groot-Nederlandse historicus Pieter Geyl, schreef over de kwestie een proefschrift en maakte over Mussert een film.

De auteur keek in zijn brede ambitie over zijn specialismen heen. Hij bouwde zijn boek op volgens een professioneel-historisch patroon; aardse zaken eerst, de kunst aan het einde. De eerste zinnen handelen over de ontginning van heidevelden en over het rooien van het laatste oerbos in Nederland, het Beekbergerwoud bij Apeldoorn in 1871. Aan het einde van dit gedeelte, dat handelt over land in gebruik, landwinning, landelijke ordening en verkeer over land, probeert Schuursma zijn encyclopedische stijl te doorbreken in een vergelijkend perspectief. `Op ons zou Nederland in de periode 1900-1930 een buitengewoon rustige indruk maken', schrijft hij. Voor de tijdgenoot uit de jaren van opgang waren evenwel de groeiende verkeersdichtheid en de krachtige industrialisatie opzienbarende fenomenen. Het is een interessante vergelijking van beleving en tijdsperspectief, maar het wijst ook op het didactische karakter van deze geschiedschrijving. De auteur is voor alles een helder explicateur, hij matigt zich in de keuze van zijn bewoordingen en hij stijgt niet in toonhoogte, als hij vreselijke zaken moet melden.

In sommige gedeelten van zijn boek is Schuursma origineel in zijn selectie en ordening, in andere hoogst conventioneel. Het hoofdstuk over `Mensen en Samenleving' is een interessante mengeling van private geschiedenis en openbare zeden, waarbij onder het particuliere de lonen en arbeidstijden worden begrepen maar ook de puberteit of de eetgewoonten. De godsdienst daarentegen wordt exclusief vanuit het maatschappelijk perspectief benaderd en niet als een fenomeen op zichzelf. Zo valt er veel te lezen over verzuiling en sociale controle maar vrijwel niets over predikanten of religieuze cultuur. De auteur begint, wanneer hij het protestantisme behandelt, dadelijk te spreken over Abraham Kuyper en zijn orthodox-protestantse aanhang. Kuyper is alleen al door zijn persoonlijkheid en retoriek dominerend en zou ook zelf deze voorrang in de geschiedschrijving hebben kunnen beamen. Maar zo worden oorzaak en gevolg wel omgedraaid. Een juiste volgorde in de kerkelijke strijd zou Schuursma de vraag hebben moeten ingeven wat deze mobilisatie van rechtzinnigen veroorzaakte. Vervolgens zou hij zich hebben moeten richten op een adequate behandeling van het theologisch modernisme en van de secularisatie in haar eerste fase.

Politieke val

Aan het einde van zijn boek behandelt Schuursma de plaats van `Nederland in de wereld'. Daar wordt ook aandacht besteed aan het kolonialisme in Nederlands-Indië. De kolonies in de Caraïben daarentegen komen in deze verhandeling nauwelijks voor, maar daarin is de auteur even weinig geïnteresseerd als de tijdgenoten over wie hij schrijft. In de finale paragrafen van zijn boek wijdt Schuursma lovende woorden aan de minister van Buitenlandse Zaken sinds 1918, Van Karnebeek, die erin slaagt om niet alleen de traditionele elite van volkenrechtsdeskundigen in zijn beleid te betrekken maar ook een Raad van Bijstand te formeren, bestaande uit hoofdfiguren van het bedrijfsleven. `Op deze wijze, uitstekend ingelicht, goed voorbereid op wat te wachten stond zonder zelf al te veel zijn hals te hoeven uitsteken,' schrijft Schuursma, `zette de nieuwe bewindsman zijn koers uit.' Des te scherper wordt dan ook zijn politieke val belicht. Het is een van de zeldzame momenten in het boek, waarin Schuursma zich een dramatische enscenering veroorlooft. Had hij dat maar wat meer gedaan.

Op de boekomslag wordt Jaren van Opgang aangeprezen als `een glashelder standaardwerk over een vitale periode van Nederland'. Van deze kwalificaties kan men enkel de helderheid in Schuursma's betoog onderschrijven. Men kan vervolgens ook de auteur prijzen om zijn streven de grenzen van de verschillende specialisaties te overschrijden en een samenhangende geschiedenis te presenteren. De twijfel begint, wanneer men zich realiseert dat zich in de `jaren van opgang' ook een wereldoorlog afspeelt en een november-revolutie. Dit tijdvak is in werkelijkheid niet het min of meer stijgende pad. De vraag is dan of de historicus in de toch eigenlijk willekeurige gelijkmatigheid van drie keer tien jaren opgang de eigentijdse golf- en tegenbewegingen niet heeft gemist.

Rolf Schuursma: Jaren van opgang. Nederland 1900-1930. Balans, 592 blz. ƒ69,50