De Kaap in kaalvoetverzen

Toen Nelson Mandela in 1994 de eerste zitting van het democratisch gekozen parlement in Zuid-Afrika opende, deed hij dat tot ieders verrassing met een gedicht van de Afrikaanse dichter Ingrid Jonker. Het gedicht dat hij – in Engelse vertaling – voordroeg, `Het kind dat doodgeschoten is door soldaten bij Nyanga', is een vlammende aanklacht tegen het bloedbad in Sharpeville en de noodtoestand die vervolgens in het land werd afgekondigd, in 1960. Jonker baarde indertijd onmiddellijk opzien: geharde Afrikaners, onder wie haar vader, beschouwden haar gedicht als verwerpelijk, terwijl het in de overige lagen van de Zuid-Afrikaanse bevolking werd bewonderd en ontvangen als onverwachte blijk van steun. `Het kind' werd onder andere vertaald in het Zoeloe en Hindi, en Jonker werd zo de eerste schrijfster in het Afrikaans die alle bevolkingsgroepen in Zuid-Afrika aansprak.

Mandela's voordracht leidde direct tot hernieuwde interesse in de jonggestorven dichter (1933-1965), die tot de generatie van de `Sestigers' wordt gerekend – dezelfde generatie die Breyten Breytenbach en André Brink voortbracht. Nog hetzelfde jaar verscheen de derde, herziene druk in het Afrikaans van Jonkers Versamelde Werke. Op deze uitgave heeft Gerrit Komrij zich gebaseerd voor zijn tweetalige editie van Jonkers poëzie, Ik herhaal je. Komrij selecteerde en vertaalde de mooiste gedichten uit haar oeuvre, dat een bescheiden omvang heeft (drie dichtbundels, waarvan er één postuum verscheen), maar van bijzondere kwaliteit is en zeer veel invloed heeft gehad. Schrijver Henk van Woerden leverde het `Nawoord', dat eerder beschouwd kan worden als een uitgebreid biografisch essay, bij de uitgave. Die biografische informatie is onmisbaar, niet alleen omdat Jonker hier te lande nauwelijks bekend is, maar ook omdat zij, zoals ze in een interview aangaf, haar werk baseerde op persoonlijke ervaringen.

In zijn `Verantwoording' spreekt Van Woerden zijn verbazing uit over het feit dat er niet eerder een biografie van Jonker is verschenen. Wie zijn essay leest, deelt die verbazing. Het is nogal een verhaal dat hier verteld wordt: de echtscheiding van Ingrids ouders nog voordat ze geboren is, armoede, eindeloos verhuizen, een kindertijd aan de idyllische Kaapse kust. Dan de ziekte en dood van grootouders en haar moeder, gevolgd door een ontnuchterende pubertijd in het kille nieuwe gezin van haar vader. Ingrid begint te schrijven, eerst aangemoedigd, later tegengewerkt door de beroemde dichter Dirk Opperman. Ze trouwt met de veel oudere schrijver Pieter Venter, krijgt een dochtertje, wordt opgenomen in het Kaapse literaire wereldje. Er volgen overspelige affaires, een echtscheiding, een driehoeksverhouding met de schrijvers André Brink en Jack Cope, literaire kruisbestuiving, de publieke erkenning van haar werk, en de publieke afwijzing door haar vader (ondertussen lid van het parlement). De beklemmende politieke situatie, abortussen, slaappillen, inrichtingen, verbroken verhoudingen en schrijnend geldgebrek breken haar verder op. Nog geen 32 jaar oud pleegt Jonker uiteindelijk zelfmoord door zich in de Drieankerbaai te verdrinken.

Het mag dus wel een wonder heten in deze door (auto-)biografische ontboezemingen gefascineerde tijden, dat Jonker nog niet is `gemarket' als martelares à la Sylvia Plath, en het is de verdienste van Van Woerden dat hij een dergelijke invalshoek heeft weten te vermijden, terwijl zijn essay toch heel levendig blijft. Van Woerden baseerde zijn verhaal noodgedwongen vooral op secundair materiaal, vertelt hij. Het Jonker-archief wordt namelijk `angstvallig bewaakt' door de familie, die geen inzage toestaat. Ook putte hij uit zijn eigen jeugdherinneringen aan Zuid-Afrika: met name de beschrijvingen van Ingrids jongste jaren aan de Kaapse kust zijn erg sfeervol.

Die jeugd aan de Gordonsbaai, als `natuurkind', is een van de belangrijkste inspiratiebronnen voor Jonkers poëzie. De schrijfster zou haar leven lang het gemis voelen van deze verloren idylle, en heimwee naar de onschuldige staat van het kind: `Het kind in mij is stil gestorven/ verwaarloosd, blind en onbedorven', dichtte ze in `Puberteit'. Daarnaast krijgt de zee zelf een dubbelzinnige betekenis in haar werk, enerzijds als paradijselijke omgeving, anderszijds als brenger van de dood. In het eerste, griezelig profetische gedicht in Jonkers eerste, gelijknamige bundel uit 1956, Ontvluchting, zijn beide betekenissen terug te vinden:

Hier, aan dit Valkenburg, ben ik

ontvlucht

en droom mij nu in Gordonsbaai terug:

Ik speel met kikkervisjes in een stroom

en kerf er runen in een wilgenboom

[...]

Mijn lijk ligt uitgespoeld in wier en gras

op al de plekken waar ik met je was.

`Ontvluchting' is representatief voor Jonkers debuut, dat voornamelijk bestaat uit gedichten in rijmende coupletten. Het is pas in haar tweede, zeven jaar later verschenen bundel Rook en oker, dat haar poëzie een hoge vlucht neemt. Ze heeft dan de strakke rijmschema's uit haar eerste werk losgelaten, en ook qua onderwerpen en beeldspraak zijn haar nieuwe `kaalvoetverzen' gevarieerder en gedurfder. Vooral haar nieuwe liefdeslyriek valt op, vol concrete, lichamelijke beelden maar met onmiskenbaar surrealistische ondertonen, en buitengewoon teder. In het uit acht korte delen bestaande `Intiem gesprek' dicht Jonker, duidelijk geïnspireerd door het Hooglied: `Ik weet toch/ je mond is een nestje/ vol vogeltjes', en `Als jij slaapt/ is je voorhoofd een berg/ en jouw slapen/ als lammeren tegen de wand'.

Diezelfde tederheid spreekt ook uit Jonkers kinderliedjes, die in toon weinig verschillen van haar liefdespoëzie. `Haar liefde voor een man verschilt niet wezenlijk van haar gevoelens voor een kind,' verklaart Van Woerden. Maar in heel Jonkers oeuvre klinkt een besef van de kwetsbaarheid en weerloosheid van de liefde en geluk, in welke vorm dan ook. De aan haar dochter Simone opgedragen kinderversjes zijn subliem, licht en intiem. Wellicht puttend uit kinderfantasieën komt Jonker tot een zo mogelijk nog origineler taalgebruik dan anders:

Begin zomer en de zee

een opengebroken kweepeer

de lucht als een kind

z'n ballon

hoog boven het water

Onder de parasols als gestreept

snoepgoed

mieren van mensen

en de gulle lach van de baai

heeft gouden tanden

Uit `Begin zomer. (Voor Simone)'

Soms kan iets wat begint als een kindervers een meditatie op de dood blijken te zijn: `Timmerman bouwt aan een kist/ Ik maak me gereed voor het Niks' (`Korreltje zand'). Ook in Jonkers liefdesgedichten is de dood vaak prominent aanwezig, al dan niet onderhuids, en vaak in connectie met de moedeloos makende situatie in het land. In `Ik herhaal je', het gedicht waaraan de titel van deze bundel is ontleend, wordt de liefde gezien tegen een dreigende achtergrond van melancholie en sterfelijkheid (zie kader).

Terecht vestigt Van Woerden de aandacht op de persoonlijke gevolgen voor Jonker van politieke ontwikkelingen: `haar ontgoocheling houdt steeds gelijke tred met het politieke trauma van het land,' schrijft hij. Er is geen betere illustratie voor die uitspraak dan `Ik drijf op de wind', één van Jonkers laatste, postuum verschenen gedichten, waarin verwijzingen naar `bedrieglijke vrienden' en ouders die haar in de steek hebben gelaten, naadloos overgaan in een beschouwing over `mijn landschap (–) van mij verhard', en `Mijn zwart Afrika': `Mijn volk is van mij weggerot/ wat zal er worden van het rottende volk/ een hand bidt slecht alleen'. Niet lang daarna zal Jonker de zee inlopen.

Toen hij door een politieagent op de hoogte werd gebracht van haar dood, reageerde haar vader met: `Wat mij betreft kunnen jullie haar teruggooien in de zee'. De meeste lezers zullen echter, in navolging van Mandela, Jonker levend willen houden door haar zoveel mogelijk, telkens weer, te `herhalen'. De poëzie en biografie `herhalen' en complementeren elkaar, elk deel werpt weer nieuw licht op het andere. En Komrij's zonder uitzondering fraaie vertalingen zijn de beste `herhaling' in het Nederlands die Jonker zich had kunnen wensen.

Ingrid Jonker: Ik herhaal je. Vertaald en samengesteld door Gerrit Komrij, met een nawoord van Henk van Woerden. Podium, 219 blz. ƒ45,-