De apenzonde

Om de slapheid van zijn tijd te kenschetsen koos Potgieter voor Jan Salie de stereotiep van de onanist, de zelfbevlekker die zijn krachten verspilt.

Stelt u zich voor dat Jacques Perk op 63-jarige leeftijd aan een hartkwaal overleden was, in plaats van op 21-jarige leeftijd aan de tering. Zijn gedichten zijn heus niet zo vernieuwend en niet zo duidelijk van een jongeling dat de gedachte alleen al onmogelijk zou zijn. Hij zou dan in de literatuurgeschiedenissen terechtgekomen zijn als een tijdgenoot van de domineedichters, die wel wat aardige natuurpoëzie geschreven had. Maar hoeveel interessanter is Perk juist door de mythologische dimensies die de jonggestorven dichter kreeg! Doordat Willem Kloos zich over zijn nalatenschap ontfermde en hem bewust aanwees als voorloper van een Nieuwe Richting, werd Perk een mythe. Wat Kloos deed in een mengeling van vriendschap en positioneringsdrift, werd overgenomen door de literatuurgeschiedschrijvers, en daar kan men blij om zijn.

De moderne literatuurgeschiedschrijving in Nederland pretendeert wetenschappelijkheid, maar is in wezen van de literatuur zelf afgeraakt en beschrijft niet meer de literaire tekst zelf, maar de processen daaromheen. Dat gebeurt in het algemeen op een droge, risicoloze manier. Het zou zoveel aardiger zijn als literatuurhistorici juist zouden proberen nieuwe mythes te creëren door op originele manier verbanden te leggen tussen de onsamenhangende feiten van de literatuur. We hoeven niet terug naar Laurens Janszoon Coster, maar een beetje meer durf in het vak zou geen kwaad kunnen. Alleen de feiten zijn het onveranderbare materiaal van de literair-historicus, maar de interpretatie en samenhang ervan zijn vrij. Om gewaagder met de literaire geschiedenis om te kunnen gaan, moet men aannemen dat literatuur een speciale functie heeft. Die is gelegen in het travestievermogen van de literatuur. Literatuur is in staat de basale conflicten en obsessies van een samenleving weer te geven. Het gaat daarbij niet om een directe spiegeling van de realiteit in een literair werk. Wanneer we literatuur gebruiken om te weten te komen wanneer Pieter Stastok schone sokken aantrok, zou zij niet meer zijn dan een platte boedelbeschrijving en gelijkwaardig aan alle gewone historische bronnen. De Camera Obscura van Nicolaas Beets is echter geen gewone notariële akte, maar literatuur. Haar terrein is niet de werkelijkheid, maar de waarheid, althans de waarheid van de schrijver.

Mulisch

Maar hoe kunnen we een literaire tekst verbinden met de historische realiteit? Hoe zetten we fictionele conflicten uit de romans van individuele schrijvers om naar een algemeen maatschappelijk probleem? Kan de literair-historicus stellen dat de laatste roman van Harry Mulisch, De procedure, uit 1998, een typische travestie is van een kwestie die de gedachten van eindtwintigste-eeuwers bezighield, namelijk de creatie van leven? De wetenschap schijnt dicht bij de oplossing van het raadsel van het ontstaan daarvan te zijn, maar in Mulisch' boek creëert de wetenschapper dode kinderen en monsters. Is deze roman de omzetting van onze collectieve angst voor wat de wetenschap ons aandoet en is dit de verklaring van de impact van dit boek? Natuurlijk, het is een goed geschreven boek, maar dat alleen is niet voldoende ter verklaring van de kracht ervan. Hoe is het succes van Thomas Rosenbooms Publieke werken, voorwaar geen makkelijk boek, te verklaren? Natuurlijk, het is een boek dat het goed doet als cadeau en het is erg cultureel correct om het naast Voskuil op de tafel te hebben liggen. Maar ook hier is meer aan de hand. Rosenboom heeft de handeling geplaatst aan het eind van de negentiende eeuw en de veranderingen van de handmatige naar de industriële productie als uitgangspunt genomen. Het boek geeft vorm aan het innerlijk conflict dat iedereen die ouder is dan veertig bekend moet voorkomen: enerzijds de angst voor de razendsnelle vooruitgang, anderzijds de drang om bij de tijd te blijven omdat men anders buitenspel gezet wordt. De lezer laat zich meeslepen door de virtuoze literaire omzetting van zijn eigen obsessie.

Literatuurgeschiedenis zou geschreven kunnen worden als de geschiedenis van de fascinatie: waarom sloegen bepaalde teksten zo aan dat ze een soort sleutelbegrippen voor een tijd werden? Om die vraag op te lossen kan men kijken naar literaire werken die in het min of meer alledaagse taalgebruik zijn doorgedrongen. Of, om het wat modieuzer te zeggen, die in het collectieve geheugen van de Nederlandse culturele alfabeet zijn doorgedrongen. Ik bedoel met de culturele alfabeet niets cynisch: het gaat om die Nederlanders die een krant en af en toe een boek lezen, die niet meteen zappen als Hanneke Groenteman op tv verschijnt en die op school onderwezen zijn in de beginselen van de literatuurgeschiedenis. Welke literaire figuren hebben een zodanige impact gehad op lezers dat ze tot een bepaald herkenbaar karaktertype geworden zijn, dat vervolgens gebruikt wordt ter aanduiding van vergelijkbare typen in de werkelijkheid? Ik noem er een paar uit enkele eeuwen Nederlandse literatuur. Pieter Stastok uit de Camera Obscura is misschien wel het meest bekend in het taalgebruik geworden als aanduiding van een angsthazige sukkel zonder spirit. Iedereen kent ook zijn bloedverwant Jan Salie, uit Potgieters Jan, Jannetje en hun jongste kind, ook alweer zo'n jonge vent zonder enige pit of ondernemingszin. Meester Pennewip uit Multatuli's Woutertje Pieterse is naar mijn mening ook zo'n prototype: de volstrekt fantasieloze schoolmeester die alles wil categoriseren. Ook de twintigste eeuw heeft haar sleutelfiguren geleverd. Kees de Jongen als variant van Woutertje Pieterse – een figuur die nog steeds een eigen fanclub heeft. Een prototype is Frits van Egters uit De Avonden geworden: de treiterende puber die met zichzelf overhoop ligt, maar toch geen daden stelt, een variant van Hamlet. Maarten Koning uit Voskuils Bureau-boeken is een sjabloon van de academische ambtenarij geworden. Hij is de ambitieloze fichevuller, waarin tallozen zich klaarblijkelijk herkennen. En dan natuurlijk Kniertje, de gedweeë weduwe die zich angstig schikt in het lot dat haar van hogerhand toegewezen wordt, uit Heijermans Op hoop van zegen. Uit de Middeleeuwen herkent iedereen Reinaert de Vos als de slimme valsspeler die oplicht wie verdient opgelicht te worden. Mijn opsomming is niet uitputtend, maar het is opvallend hoeveel van deze collectieve literaire bekenden uit de negentiende eeuw stammen.

De vondeling

Wanneer men naar de literatuur van de negentiende eeuw probeert te kijken met de ogen die ik hierboven geschetst heb, die van de omzettingen van preoccupaties, ontdekt men fascinerende nieuwe perspectieven. Het is makkelijk om de negentiende-eeuwse roman af te wijzen omdat die zo vaak van toevalligheden aan elkaar hangt. Ergens ligt een zuigeling, die wordt toevallig gevonden door een zigeunerin die hem aflevert bij een kasteel, toevallig woont daar een kinderloze hertogin die zich om het knaapje bekommert, het knaapje groeit voorbeeldig op, toevallig worden hij en zijn rivaal verliefd op hetzelfde meisje, hij maakt zijn rivaal een kopje kleiner en dan blijkt hijzelf het geschaakte kind van de zuster van zijn pleegmoeder te zijn en zijn vijand is zijn bloedbroer. Ik verzin dit verhaal niet, het is een contaminatie van elementen uit Jacob van Lenneps eerste roman De pleegzoon, en uit het libretto van Verdi's opera Il Trovatore. Men treft het vondelingmotief in allerlei variaties aan in de West-Europese literatuur: bij Victor Hugo en Walter Scott en ook bij een realist als Charles Dickens. Het is een van die motieven waar men zich wel vrolijk om maakt. Hoe waarschijnlijk is het immers dat een vondeling ooit bij zijn eigen familie terechtkomt – en toch gebeurt dat in de negentiende-eeuwse literatuur, en niet alleen in Hector Malots Alleen op de wereld of bij Dickens Oliver Twist. Het vondelingmotief kan geen modieuze gril zijn. Daarvoor is het te verbreid en te geliefd in de West-Europese negentiende-eeuwse literatuur. Het motief moet een bepaald soort symboolwerking gehad hebben. Wat zou nu de obsessie geweest zijn die daarachter stak? Een vondeling is iemand zonder familiaire achtergrond, zonder klasse of stand. Gewoonlijk komt hij door zijn ferme karakter goed terecht. Bovendien blijkt achteraf vaak dat hij van hoge geboorte is. Het motief moet de negentiende-eeuwer hebben aangesproken omdat hij er zijn eigen positie in herkende. De vondeling zou gezien kunnen worden als een metamorfose van de opkomende burger van de negentiende eeuw. Die voelde zich even blanco en identiteitsloos als een vondeling. Het oude klassenonderscheid was immers vervallen. De gewone burgerman kon voor het eerst sinds enige generaties van een dubbeltje een kwartje worden. De Franse Revolutie had de burgers geleerd dat alle mensen gelijk waren. Dat betekent dat eigenlijk iedereen van hogere stand was. Men zou dit in verband kunnen brengen met het beeld dat Francis Fukuyama in The great disruption geschetst heeft van de sociale ontwrichting die in de eerste helft van de negentiende eeuw plaatsvond. De geslaagde vondeling uit de literatuur zie ik als een voorbeeld van de burger die zich op eigen kracht een verleden en een toekomst verschaft, een symbool van de kracht van de burger.

De keu

Tegenover de vondeling staan de meelwurmen Pieter Stastok en Jan Salie. Zo wordt Pieter Stastok gekenschetst in de Camera Obscura:

`Petrus Stastokius Junior moest alzoo op het acquit spelen, en hij maakte zich werkelijk tot dien arbeid gereed. Te dien einde lei Petrus Stastokius zijn pijp neer; maakte de punt van zijn keu wel een halven voet ver wit; plaatste zijn bal met de linkerhand op drie vierden, drukte de vier vingers van zijn linkerhand op een handbreed afstands van denzelven bal op 't biljart; krulde den duim bevallig om, zoodat hij aan 't geheele gezelschap zijn tot op 't leven afgesneden nagel vertoonde, en begon met de rechterhand de keu tusschen duim en vinger heen en weder te bewegen op eene wijze, die deskundigen `zagen' noemen.'

Ofschoon in de Camera Obscura van Nicolaas Beets nergens rechttoe rechtaan seksuele handelingen beschreven worden, valt bovenstaande kenschetsing van Pieter Stastok aan de biljarttafel bijna niet te lezen zonder te denken dat met het edele balspel verwezen wordt naar een andere sport. Het is nog niet eerder geconstateerd, maar wie de medische literatuur uit de negentiende eeuw kent, kan er niet omheen dat met Pieter Stastok een bepaald prototype getekend wordt. In Vaderlijke raad aan jonge lieden, ter bewaring hunner krachten en gezondheid worden de verschrikkingen beschreven van de onanie. Degenen die zich overgeven aan de zogenaamde apenzonde zijn `schuw, gierig, nijdig, nukkisch, argwaanig, en laage zielen, genegen tot allerlei heimelijke boosheden en kleine duivelarijen.' Bovendien leidt de onanie tot lichamelijke kwalen, zoals zwakke ogen, een bleke huid en puisten.

Wat lezen we over Pieter Stastok: hij is bleek, eenkennig en eenzelvig, lusteloos, achterbaks, angstig, niet sportief, gierig en neemt niet deel aan het studentenleven. Precies die uiterlijke kenmerken en karaktergebreken worden opgesomd in de moraalboekjes waarin gewaarschuwd wordt tegen onanie. Bovendien draagt Pieter een bril, wat in de vroege negentiende eeuw als een signaal van de eenhandige zonde gold.

Onanie werd in de hele negentiende eeuw beschouwd als een ernstig gevaar voor de jongeling. De sportieve gezonde en sterke Hollandse jongen die Hildebrand elders in de Camera Obscura beschrijft is het tegengestelde van de lusteloze bleke onanist. In alle kringen vreesde men de zelfbevlekking, omdat die de jeugd zou verzwakken. Mannelijke opvoeders beschouwden het als hun taak jongens voor deze kwaal te behoeden. Zelfs de Oranjeprinsen werden erop gecontroleerd, zoals blijkt uit het dagboek van de gouverneur van prins Willem, zoon van de losbandige koning Willem III en de tragische prinses Sophie. De gouverneur ontdekte dat de veertienjarige prins niet onbedorven was. Hij kwam in `een meer dan suspecte toestand van zekere plaats'. Zijn bleek gelaat en stomp uiterlijk hadden hem al eerder verraden. Bij de vader van het prinsje kreeg de gouverneur geen respons: als de prins daar last van had werd het tijd dat hij de vrouwen leerde kennen, was de mening van de koning. Maar de opvatting van de koning is niet exemplarisch voor de natie. Het aantal boekjes waarin tegen de eenhandige zonde gewaarschuwd wordt is legio in de hele negentiende eeuw.

Waarom is men zo bevreesd voor iets wat in de tegenwoordige maatschappij als onschuldig geldt, zolang men er niet al te openbaar mee pronkt? Laten we nog eens naar de literatuur gaan, naar Potgieter. Jan en Jannetje, de pronte ouders van een talrijk gezin, zitten op oudejaarsavond om het vuur. Ze hebben flinke zonen zoals Janmaat, de zeeman, en Jan Compagnie, de koloniaal. Maar kijk nu Jan Salie eens:

`den langen slungel [...], die ginder slemp schenkt, en ginder slemp lept. Welke doffe oogen! – welk een meelgezigt! – welk eene houding van slierislarie! – Welk eene ergernis vooral, als ik het u niet langer verhelen mag, dat dit ongeluk de jongste zoon is van Jan en Jannetje; hij, de patroon aller slaapmutsen, aller soepjurken, aller sloffen te onzent! hij, Jan Salie!'

Potgieter gebruikt als personificatie voor de negentiende eeuw de figuur van Jan Salie in zijn Jan, Jannetje en hun jongste kind. Om de slapheid van zijn tijd te kenschetsen neemt hij zijn toevlucht tot de stereotiep van de onanist: een slungel met doffe ogen, een meelgezicht, initiatiefloos, een schande voor zijn ondernemende broers en zijn pittige ouders. Zoals Uriah Heep bij Charles Dickens alle kenmerken van de eenzame rukker meegekregen heeft, zo is Jan Salie de Nederlandse vingeroefenaar, nog meer dan Pieter Stastok. Jan Salie verbeeldt wat Potgieter van zijn tijd vond: een tijd van stilstand, een lafhartige tijd waarin niemand eens flinke initiatieven nam om handel, wetenschap en kunsten tot nieuwe bloei te brengen, zoals dat wel gebeurde in de zeventiende eeuw. Stilstand betekende automatisch achteruitgang en daar is de hele negentiende-eeuwse gemeenschap bang voor. In het harmoniemodel van de maatschappij is vooruitgang gewaarborgd door de vereniging van mannelijke en vrouwelijke krachten. De onanist is echter een eenling die buiten het harmoniemodel zijn krachten verspilt. Door Jan Salie voor te stellen als een metafoor van de negentiende eeuw, stelt Potgieter de negentiende eeuw zelf als een onanerende eeuw voor: een eeuw die schijnbaar wel in beweging was, maar in wezen niet vooruitkwam. Met Potgieter zagen alle zedenmeesters de zelfbevlekker als iemand die zijn mogelijkheden niet aanwendde voor de goede zaak. De angst voor terugval in de chaos van de revolutietijd wordt geprojecteerd op de onanerende solist. En dus wendde men alles wat de negentiende eeuw te bieden had aan als bestrijdingsmiddelen: de pers, poeders en pillen en de vaders natuurlijk. Het meest huiveringwekkend van al die pogingen om natuurlijke neigingen te ontmoedigen is nog wel het apparaat dat als anti-onaneergordel op de markt kwam. Zo konden vaders de seksualiteit van hun zonen ontkennen door er letterlijk een masker op te drukken. En zo kan men in de biografie van de Tachtiger Lodewijk van Deyssel lezen dat hij zich gewillig door zijn vader, Josef Alberdingk Thijm, 's avonds zachthandig een pijnlijke gordel liet ombinden, want alles was beter dan verspilling van de krachten. Dat hielp, Van Deyssel groeide krachtig op, krachtiger dan zijn vader lief was, want hij is de eerste Nederlandse schrijver die openlijk masturbatie beschreef in zijn roman Een liefde, nog voor het einde van de negentiende eeuw.

Bekorte versie van de rede die Marita Mathijsen vorige week uitsprak bij de aanvaarding van het ambt van persoonlijk hoogleraar in de Moderne Nederlandse Letterkunde, in het bijzonder die van de negentiende eeuw, aan de Universiteit van Amsterdam.

Zoals Uriah Heep bij Dickens alle kenmerken kreeg van de eenzame rukker, zo is Jan Salie de Nederlandse vingeroefenaar