Bloot tussen het grint

Dertien bronzen ballerina's in een rijk bloeiende baroktuin, beeldhouwer Eddy Roos werkt er al 25 jaar aan. Nu wordt zijn werk vernield.

Als ik met de beeldhouwer Eddy Roos (52) in het Noord-Groningse Leens door de tuin wandel van de Borg Verhildersum — zo'n eeuwenoud kasteelachtig baksteencomplex van de vroegere landadel — wordt hij staande gehouden door een blonde vrouw van middelbare leeftijd. Ze heeft de kunstenaar herkend van een krantenfoto en pakt onmiddellijk heftig uit: ,,Het is meer dan verschrikkelijk wat hier gebeurt, bijna misdadig. Mijn dochter en ik lazen het in de krant en zijn nu komen kijken. Gaat u vooral door met uw strijd, wij staan achter u.'' Haar wat bedremmelde dochter knikt instemmend.

Haar woedeaanval past geheel in het kader van onze wandeling. Roos was bezig me te laten zien hoe door een conflict tussen hem en de huidige beheerders van de Borg Verhildersum zijn een kwart eeuw geleden begonnen en inmiddels bijna voltooide levenswerk werd vernield, namelijk het samengaan van dertien bronzen beelden met het thema dans en een rijk bloeiende baroktuin. Het vrijwel afgeronde ontstaan van een zeker voor Nederland, maar waarschijnlijk ook voor Europa uniek `Gesamtkunstwerk' werd afgebroken doordat de beheerders na al die jaren plotseling vonden dat het allemaal wat soberder en eenvoudiger moest. Bloemperken en paden veranderden in gras- en grintvlakken, bomen werden gerooid en van de zorgvuldige maatvoering tussen de tien geplaatste beelden en de drie die nog komen moeten en de tot de laatste centimeter uitgekiende plattegrond bleef heel weinig over. De grote bronzen varianten op de bewegingen van ballerina's staan nu wat verloren in een kaalgeslagen vlakte waar de oorspronkelijke zichtlijnen, die de kunstwerken met elkaar in verband brachten, verloren gingen.

Eddy Roos is verwikkeld in een juridische strijd die een dezer weken voor het Leeuwarder gerechtshof beslist zal worden. Hij eist herstel van de tuin in de oorspronkelijke toestand zodat het totaal, waarmee hij sinds de jaren zeventig bezig was, kan worden uitgevoerd. Lukt dat niet, dan wil Roos zijn beelden terug in een poging ze elders zinvol onder te brengen. Maar ook aan deze wens zitten tal van juridische haken en ogen.

Eddy Roos, van oorsprong Amsterdammer, werd opgeleid aan de Rijksacademie aldaar, waar vooral Paul Grégoire zijn leermeester was; daarna werkte hij in Italië anderhalf jaar in het atelier van Giacomo Manzu. Er waren ook invloeden van Maillol, Brancusi, Moore, Giacometti, kortom van in de richting van de abstracte schematisering zoekende figuratieven.

In was boetserend bleef Eddy Roos dit pad volgen, bij dit alles in het bijzonder geïnteresseerd in de bewegingsmogelijkheden van het menselijk lichaam.

1300 bloemen

Hij ging naar Groningen in de jaren zeventig toen er in het noorden veel boerderijen en landarbeidershuisjes leeg kwamen te staan en voor betrekkelijk weinig geld te huur of te koop waren. Enkele honderden beeldend kunstenaars, vooral beeldhouwers, trokken naar het Groningse platteland. Roos betrok er in het gehucht Valom bij Uithuizen een voormalige polderschool met licht dat door niets gestoord van de Waddenzee de grote lokalen van de school binnenstroomt. Roos woont er nog, samen met vier collega's, een fotografe met een balletachtergrond, een schilder, een keramiste en een textiele kunstenares.

In het naburige Leens kwam Eddy Roos al kort na zijn aankomst in het noorden in contact met mevrouw T.F. Clevering-Meyer, toen conservatrice van de veertiende-eeuwse Borg Verhildersum die inmiddels in eigendom van de gemeente was gekomen en museum was geworden. Mevrouw Clevering was een specialiste in de inheemse flora. Samen met de tuinarchitecte mevrouw T.R. Boon wilde zij bij de Borg een door Italiaanse architecten geïnspireerde Hollandse baroktuin aanleggen. Ruim dertienhonderd verschillende soorten bloemen en planten kregen er plaats en zouden garanderen dat er het hele jaar door ergens iets in bloei zou staan. Eddy Roos, zo werd afgesproken, zou met dertien bronzen beelden een dansend element aan het geheel toevoegen.

Behalve dat werd hij ook bij de plattegrond van de tuin betrokken, vooral nadat kort na elkaar mevrouw Clevering en mevrouw Boon waren overleden.

Uitgangspunt van hun project was de Gulden Snede, een in de Renaissance veelgebruikt verhoudingspatroon dat in een consequent doorgevoerde maatvoering een soort schoonheidsformule oplevert. Dat betekende voor de tuin bij de Borg een patroon van recht- en driehoeken en cirkels, met snijpunten die de specifieke maatvoering bepalen. Een en ander had ook consequenties voor de plaatsen van de beelden, hun onderlinge zichtlijnen en zelfs voor afmetingen. Acht moesten er levensgroot worden, vijf dubbelfiguren, zo wezen de berekeningen uit, kwamen uit op twee meter twaalf. De plaatsen van de bronzen beelden kwamen tevoorschijn uit de mathematiek van de plattegrond, waarbij de begroeiing zodanig moest zijn dat de beelden met elkaar en met de tuin in contact bleven, de bloemen en heesters mochten de `zichtlijnen' tussen de beelden niet verstoren.

Roos' thema werd dus het bewegend menselijk lichaam, bewegingen zoals getrainde ballerina's maken als ze vrij hun gang kunnen gaan, uitsluitend gestuurd door de emoties van het moment.

Eerder had Roos in Amsterdam veel getekend in de studio van de danseres Paulien de Groot, later maakte hij in Wuppertal in de studio van Pina Bausch kennis met wat hij de `confronterende dans' noemt: ,,Dat was voor mij een enorme schok, dat pure improviseren rondom de eigen emoties. Ik raakte in het moderne ballet geïnteresseerd.''

Ongeremd

Hij legde zich toe op het maken van grote schetsen van zich ongeremd bewegende danseressen: ,,Bewegende mensen poseren niet, ik laat ze dan ook nooit stoppen als ik met ze aan het werk ben. De schets mag niet verstoord worden door een vastgehouden pose.''

In een videofilmpje is te zien dat de kunstenaar zelf ook min of meer aan het dansen is als hij al schetsend en noterend over het op de grond liggend papier kronkelt.

De schetsen in zwart krijt zijn de uitgangspunten voor de beelden die hij eerst in was en vervolgens in brons maakt.

Dit ritueel zet zich tot vandaag voort in een der klaslokalen van de polderschool in Valom. De modellen — meest leerlingen van dansscholen — worden tijdens geregelde bezoeken aan Amsterdam geselecteerd en uitgenodigd om een week of twee bij Roos te komen logeren, sommigen komen jarenlang terug.

Vrijwel elke avond is er een vier uur durende seance met het vastleggen van in spontane emoties bewegende naaktmodellen. Roos werkt soms met twee modellen tegelijk, danseressen die zich in allerlei improvisaties bewegen. Ze dansen apart, raken elkaar, verstrengelen zich soms in één beweging, gaan dan weer alleen door. Zijn ballerina's worden geaccentueerd als mooie en sterke jonge vrouwen die een erotische vreugde beleven aan hun extreme lichaamsbeheersing, hun soepele overwinning van de zwaartekracht, uitdagend en lenig vertonen ze een virtuositeit die slechts wordt geëvenaard door die van de beeldhouwer.

's Middags wordt in een overeenkomstige situatie geboetseerd. De ochtenduren gebruikt Roos om uit zijn hoofd de indrukken en herinneringen in was te herbezinnen.

Aldus ruwweg de dagindeling van Roos zoals die zich de laatste twintig jaar voltrekt, uiteraard met onderbrekingen voor andere bezigheden, zoals het in Europa rondreizen om andere tuinen te bekijken.

Het project met de tuin bij de Borg Verhildersum kon metterdaad beginnen in het kader van de, in de jaren zeventig nog geldende, Beeldende Kunstenaars Regeling, de BKR. Per beeld kreeg Roos om de zoveel maanden een nieuwe opdracht. Toen de regeling werd wegbezuinigd en de voortgang van het project in gevaar kwam, sprongen de Delftse verzamelaar en mecenas J.C. Groeneveld en zijn vrouw te hulp. Zij attendeerden andere liefst vermogende verzamelaars op de beeldentuin in Leens, en mobiliseerden via een tentoonstelling in het Singermuseum in Laren ook een bredere kring van belangstellenden in het bedreigde totaalkunstwerk.

Dit alles resulteerde in de oprichting van de Stichting Beeldentuin Borg Verhildersum, waarvan de toenmalige commissaris van de koningin van Groningen, H.J.L. Vonhoff, voorzitter werd.

Er kwam voldoende geld binnen, mede via subsidies van de Europese Unie die cultureel belangrijke projecten steunt. Er kon dus doorgegaan worden, ook na de dood van mevrouw Clevering en mevrouw Boon. Vóór die tijd werd het belang dat ook de provincie aan de tuin toeschreef, erkend in de Zilveren Anjer van het Prins Bernhardfonds die aan mevrouw Clevering was uitgereikt. De wordende tuin en het wordende geheel van beelden daarin trokken enkele tienduizenden bezoekers per jaar.

Meer dan voor die tijd werd Eddy Roos gedwongen zich naast het vervaardigen van de beelden te bemoeien met de architectuur van de tuin, zich nog steeds baserend op de principes van de Gulden Snede die hij met mevrouw Clevering was overeengekomen. Zijn tekeningen werden doorslaggevend, maar volgden strikt de inzichten van mevrouw Clevering.

Toen er in de tuin, groeiend en bloeiend naar haar ideeën, tien van de bedoelde dertien beelden geplaatst waren, kwam er een onverwachte omslag. De Stichting Borg Verhildersum (niet te verwarren met de beeldenstichting) die namens de gemeente Leens het museum beheert, wilde plotseling alles anders, soberder, strakker, niet zo weelderig. Een nieuwe tuinarchitect werd aangetrokken om tot de beoogde herindeling te komen. Zijn plan liet weinig van de oorspronkelijke opzet over.

Waarom dit alles?

Kort geding

Ook wie in de stukken rondom het kort geding dat Eddy Roos aanspande het standpunt van de stichting goed leest, komt er niet goed achter. Aangevoerd wordt dat de tuin oorspronkelijk een `nutstuin' met fruitbomen was, dat er dus van een echte historische stijltuin geen sprake is. Ontkend wordt dat de beelden en het tuinplan één geheel zijn.

Mede om de `beheersbaarheid van het onderhoud' moest het allemaal strakker worden. Met andere woorden: het verzorgen van al die planten en bloemen werd wel een beetje duur.

Kortom: de stichting zag zo'n wilde, ruige bloementuin met al die blote beelden erin niet langer zitten. Toen er in de loop van de discussies sprake van was dat de beelden zouden verdwijnen was de cynische, in het openbaar geuite reactie van de stichting: `opgeruimd staat netjes'.

Inderdaad: netjes, het moet er een beetje knap en opgeruimd uitzien, niet dat ongeremd wilde van een paar artiesten.

Sinds Vonhoff was afgetreden als commissaris van de koningin en het ook om redenen van gezondheid wat kalmer aan moet doen, staat Roos min of meer alleen in zijn gevecht. Niet helemaal alleen, de weduwnaar van mevrouw Clevering staat actief aan zijn kant. Voorts beschikt Eddy Roos over een ontroerende afscheidsbrief van mevrouw Clevering, op haar sterfbed geschreven. Zij bezweert hem daarin hun gezamenlijk levenswerk tot een goed einde te brengen. Om redenen van goede smaak heeft Roos die brief tot dusver niet gebruikt. Nu aarzelt hij.

In een voorlopig vonnis na het kort geding kreeg Roos grotendeels gelijk, in een tweede vonnis, geveld na een schouw ter plaatse van de rechter, werd zijn gelijk principieel ingeperkt, mede omdat de stichting inmiddels al met de kaalslag begonnen was.

Alle planten, duizenden soorten uit de kennis van mevrouw Clevering dus, werden opgeruimd, acht bomen gekapt.

Graspaden en grintvlakken werden aangelegd, er zal een patroon van buxushaagjes en nieuw aan te planten bomen komen waardoor de zichtlijnen op de beelden verstoord worden en de zorgvuldig berekende maatvoering zijn zin verliest.

Wie de tuin in zijn vorige staat gekend heeft en nu terugkeert, zoals de dame uit het begin van dit stuk en ikzelf, gelooft zijn ogen niet. Hier is sprake van domme vernieling van iets dat heel mooi was en nog mooier had kunnen worden.

Formeel is de strijd nog niet gestreden. In de juridische warwinkel van contracten en auteursrechten moet het Leeuwarder gerechtshof nog tot een uitspraak in hoger beroep komen.

Roos is reëel genoeg om zich af te vragen of er na alles wat al vernield is, nog iets valt terug te draaien.

Al geeft de rechter hem gelijk, de kaalslag van de beeldentuin is een feit