`Wegenbelasting' weg?

Een meerderheid in de Tweede Kamer wil op korte termijn de motorrijtuigenbelasting verlagen en deze heffing binnen vijf tot tien jaar volledig afschaffen. Het kabinet maakt over enkele weken zijn standpunt bekend. Ook hier geldt: bezint eer ge begint! Iedereen met een personenauto of motorfiets is `wegenbelasting' verschuldigd. Het spraakgebruik verwijst nog naar de tijd waarin de opbrengst van de motorrijtuigenbelasting (MRB) hoofdzakelijk was bestemd voor aanleg en onderhoud van het rijkswegennet. De tariefstructuur is ingewikkeld. Het bedrag dat elke drie maanden moet worden voldaan, hangt af van het gewicht van de auto. Wie op gas of diesel rijdt is bovendien een toeslag verschuldigd. De opbrengst van de MRB is aanzienlijk; zij brengt dit jaar 4,5 miljard gulden op.

Voorstanders van een lastenverlichting voor autorijders verdraaien het regeerakkoord. Daarin staat dat het bezit van een auto niet duurder mag worden, het rijden met de auto wel. Als gevolg van de snelle stijging van de olieprijzen op de wereldmarkt is de pompprijs van benzine flink opgelopen. Dank zij de gewijzigde marktverhoudingen wordt het regeerakkoord naar letter en geest uitgevoerd. Rijden wordt duurder, de vaste lasten – met inbegrip van de belasting – blijven onveranderd. Het hebben van een auto wordt dus in verhouding goedkoper, ermee rijden relatief duurder. Een Kamermeerderheid wil een stap verdergaan: de MRB moet omlaag. Minister Zalm heeft al een geringe lastenverlichting toegezegd. Hij verwacht enkele tientallen miljoenen te ontvangen als opbrengst van de gebruiksvergoeding die pomphouders aan de staat moeten gaan betalen en heeft beloofd dat dit geld naar de automobilisten zal worden teruggesluisd. Kennelijk verwachten de Kamerleden dat pomphouders hun nieuwe kostenpost (de gebruiksvergoeding) via hogere benzineprijzen aan hun klanten zullen doorberekenen. Dat is precies wat de opstellers van het regeerakkoord uit 1998 nastreefden, maar het vormt geen argument om de belasting op autobezit te verlagen.

Kamerlid Van Walsem (D66) wil de belastingen op benzine zo ver verhogen dat de MRB helemaal kan worden afgeschaft. Hij heeft niet goed nagedacht. Zijn suggestie betekent dat de benzine-accijns per liter van 1,25 tot 2 gulden omhoog moet. Nederlanders gaan na zo'n forse prijsverhoging massaal over de grens tanken. Pomphouders in de grensstreken krijgen nu al – door Brussel verboden – compensatie, omdat zij na de vorige forse verhoging van de benzine-accijns veel klanten hebben verloren. De huidige prijsstijging van benzine leidt alleen niet tot extra tanken in België en Duitsland, omdat de prijzen daar even hard zijn gestegen, als gevolg van de hogere invoerprijs van ruwe olie. Een eenzijdige verhoging van de benzine-accijns in Nederland is echter onmogelijk gezien de omvangrijke grenseffecten die vervolgens optreden. Om de MRB te kunnen verlagen moet het kabinet dus de onlangs bekend geworden budgettaire ruimte aanspreken.

Hier zijn vijf goede redenen waarom verlaging en op den duur afschaffing van de MRB een uitgesproken slecht idee is. Ten eerste leidt niet alleen het gebruik maar ook het bezit van een auto tot milieuvervuiling. Van de schaarse ruimte in Nederland is zesduizend hectare nodig om al dat blik te kunnen parkeren. Dit ruimtebeslag maakt een profijtheffing verdedigbaar. Verder valt te bedenken dat bijna de helft van de MRB wordt opgebracht door mensen die meer verdienen dan de gemiddelde werknemer. Wanneer al middelen voor belastingverlaging beschikbaar zijn, kunnen deze beter vooral ten goede komen aan huishoudens met lagere inkomens. Het voor lastenverlichting bestemde geld valt ook te gebruiken om de arbeidskorting voor werkenden te verhogen. Dit maakt het voor meer mensen aantrekkelijk een baan te aanvaarden. Zo kunnen groeiende knelpunten op de arbeidsmarkt eerder worden verholpen. Een ruimer arbeidsaanbod remt ook dreigende loonstijgingen af, wat goed is voor de concurrentiepositie van ons land.

Ten vierde is de door de centrale overheid geheven MRB het lastdier voor de enige provinciale belasting, die wordt geheven in de vorm van `opcenten' die per provincie licht verschillen. Het zal niet eenvoudig zijn voor de provincies een andere eigen belasting te vinden die jaarlijks eveneens goed is voor 1,3 miljard gulden. Het meest gerede alternatief zou nog zijn naast de gemeentelijke onroerendezaakbelasting een vergelijkbare provinciale heffing in te voeren. Dit maakt het voor de burgers wel extra moeilijk te begrijpen hoeveel zij op basis van de waarde van hun huis moeten betalen aan provincie, gemeente en waterschap.

Het laatste argument tegen afschaffing van de MRB heeft de oudste papieren. Handhaven van een bestaande belasting verdient uit een oogpunt van de psychologie van de belastingbetaler bijna altijd de voorkeur boven het drastisch verhogen van andere belastingen. Alles went immers, zelfs een niet onomstreden belasting. Naarmate meer belastingen worden afgeschaft – beursbelasting (1990), vermogensbelasting (2001), motorrijtuigenbelasting (200x?) – moeten de voor de financiering van overheidsvoorzieningen benodigde middelen met minder instrumenten worden vergaard. De beweging in de richting van een monolytisch belastingstelsel maakt de totale opbrengst kwetsbaarder voor fraude en legale pogingen de belastingdruk te verminderen. De conclusie is duidelijk: de MRB moet blijven. Het valt te hopen dat minister Zalm zijn been stijf houdt en zich niet op een hellend vlak begeeft door in de toegezegde notitie een verdere verlaging van de belasting op autobezit in het vooruitzicht te stellen. Wanneer hij geld voor lastenverlichting beschikbaar heeft, kunnen beter de hoge lasten voor alle werkenden worden verlicht, dan uitsluitend de lasten van autobezitters.