Trou Moet Blycken

Liefde

Die ik het meest heb liefgehad, –

't Was niet de slanke Bruid, met wie 'k in 't zoeter leven

Mocht dwalen op het duin en dromen in de dreven,

Wier hand mij leidde op 't rozenpad;

't Was niet de jonge en teedre vrouw,

Die, goede genius, mijn hart, mijn huis bewaakte,

Die mij het leven, ach, zo licht en lieflijk maakte,

Met al de rijkdom harer trouw!

'Zo was 't de moeder van uw kroost,

Die u, gelukkige, voor 't offer veler smarte,

Deed smaken, onvermengd, het reinst geluk van 't harte,

Des levens liefelijkste troost?'

Neen! – die ik 't meest heb liefgehad,

Dat was mijn kranke; 't was de moede, de uitgeteerde,

Van wie ik leven beide en hopend sterven leerde,

Toen ik wenend aan haar sponde zat.

P.A. de Génestet (1829-1861)

In het luidruchtige, en vaak nogal ronkende en pathetische koor van negentiende-eeuwse dichters heeft De Génestet zijn eigen stem. Hij is simpeler dan de anderen, relativerender. Hij blijft de jongen in pofbroek tussen de heren in hun lakense pak.

't Lijkt ook of hij van het hele stel het meeste gevoel voor ritme heeft. Zijn poëzie getuigt doorgaans van een grote muzikaliteit, ongedwongen en ongekunsteld. Niet de schelheid van het koper, eerder de weemoed van riet en hout.

De onderwerpen van De Génestet – biedermeierachtige tafereeltjes en piëtistische levenslessen – mogen nu verouderd aandoen, zijn muziek is nog altijd aangenaam om naar te luisteren.

Het beeld van de stralende bruid, van de stervende moeder, van de worstelende teringlijdster, van de standvastige christin, al die beelden waarmee je wordt doodgegooid in de poëzie van de negentiende eeuw komen in dit gedicht voor. Maar hoe puur en melancholiek blaast De Génestet zijn wijsje! Hoe weet hij zijn instrument in bedwang te houden!

Alleen al uit de keuze van de titel blijkt de specifieke plaats die hij in het koor van zijn medezangers inneemt. Hij noemt zijn gedicht niet Stervende moeder, zoals dat in de negentiende eeuw voor de hand had gelegen, of Een vaste burcht is mijn God, hij noemt het gedicht simpelweg Liefde.

En over liefde gaat het gedicht uiteindelijk ook, niet over godsvertrouwen of dood. Over de liefde tussen twee aardse mensen, niet over de hemelse liefde.

Van alle dominee-dichters is De Génestet de dominee-dichter die meer dichter dan dominee was.

Die ik het meest heb liefgehad, –

– het zet elegisch in, en tegelijk is het begin zo absoluut, zo existentieel. Een vraag aan het verleden, een vraag aan het leven, een vraag naar het maximale. Het antwoord dat in de eerste strofe wordt gegeven voldoet niet, het antwoord uit de tweede strofe evenmin. Heel knap laat de dichter in de derde strofe de vraag door een ander herhalen, zodat het idee ontstaat van een dialoog, van een duet. Het kan ook zijn dat hij hier zich zelf een vraag stelt, voor een spiegel of in gevecht met zijn echo, beklemtonend dat we getuige zijn van een intens zelfonderzoek. Hoe dan ook, het alternatieve antwoord dat hier wordt gesuggereerd voldoet evenmin. Het leidt rechtstreeks tot de climax van de vierde en laatste strofe.

't Was niet, 't was niet. Was het dan soms? Nee, wat het was

Dat was mijn kranke; 't was de moede, de uitgeteerde

– zonder meer de mooiste en aangrijpendste zin van het gedicht, en met een wonderlijke cadans.

Een vraag per strofe, een levensfase per strofe. De episoden met bruid, jonge gade, moeder en stervende vormen een soort levenstrap. In elk van de eerste drie strofes wordt op een of andere manier aangekondigd dat het om een te vroeg geknakt leven zal gaan. Vier strofen van elk vier regels, maar beslist geen standaardindeling van lente, zomer, herfst en winter. Nee, één lange, zomerse lente met een wrang eindseizoen.

Het is een strak en streng gedicht. Niet alleen door die varianten van vraag en antwoord, door dat viermaal vier, maar ook door de regelmatige afwisseling van staand en slepend rijm en door de uiteindelijke omhelzing van de woordenparen liefgehad – rozenpad uit de eerste strofe en liefgehad – sponde zat uit de laatste strofe – in alles een hecht doortimmerd gedicht.

't Is altijd weer curieus om te zien, in de poëzie, hoe de diepste smart streeft naar de sterkst gebonden vormen. 't Lijkt een constante waaraan ook de negentiende-eeuwse poëzie niet ontkomt. Hoe strenger de vorm, hoe sterker ook – omgekeerd – het effect op de lezer, hoe beter de emotie wordt overgedragen. De dichter die zijn smart het knapst onder de duim houdt laat de lezer het hevigst delen in zijn smart.

Driemaal ontkent de dichter de ware aard van zijn liefde. Dat betekent niet dat het `dwalen op het duin en dromen in de dreven', de trouw en het moederschap niets met liefde te maken hebben, ze zijn ook liefde. Door de ontkenningen bouwt de dichter juist een beeld van de mateloosheid van zijn liefde op. Maar de absolute liefde is er pas wanneer zijn geliefde niets meer te bieden heeft. De Génestet kan het zich veroorloven op dit cruciale moment zijn meest gekunstelde zin neer te pennen –

Van wie ik leven beide en hopend sterven leerde

– hoe zou een poëzieprofessor zo'n constructie noemen? Een schuinsgebakken asyndeton? God mag het weten. Het nadenkertje verleent in elk geval het passende isolement aan de `ik' die wenend aan de sponde zit.

Daar zit hij, eenzaam in de lichtbundel. Hij vertelde hoe hij haar heeft liefgehad. Hij vertelde eigenlijk hoe zij hem heeft liefgehad. De dode spreekt met de stem van de levende. Het is de geschiedenis van twee mensen die in de liefde aan elkaar gewaagd waren. Het gedicht had niet anders kunnen heten.