Nederland is zwanger van eigendunk

De trend om culturele verschillen te problematiseren, beschadigt het positieve beeld dat allochtonen van Nederland hebben, vinden Ruben Gowricharn en Jan Willem Duyvendak.

Op één punt zijn we het met Paul Scheffer eens: het is zaak dat de autochtone elite zich bekommert om de sociaal-economische achterstand van (sommige) migranten, mede omdat kleur en klasse steeds meer samenvallen. Maar helaas houdt onze overeenstemming daar op en moeten we constateren dat zijn analyse en zijn oplossingen, voorzover aanwezig, weinig hout snijden. Met name het door Scheffer veronderstelde causale verband tussen de sociaal-economische positie van allochtonen en hun cultuur is terecht bekritiseerd. De ervaringen in Frankrijk laten overtuigend zien dat – gedwongen – culturele assimilatie weinig bijdraagt aan de oplossing van sociaal-economische vraagstukken.

Dit misplaatste verband leidt er vervolgens toe dat door Scheffer `de allochtone cultuur' alleen ter discussie wordt gesteld, terwijl de autochtone cultuur boven iedere discussie wordt verheven en zich nadrukkelijker en 'nationaler' zou moeten manifesteren. Door de schuld voor de zwakke positie van migranten in hun culturele eigenheid te zoeken, zet Scheffer zichzelf op het verkeerde been. Hij gaat op zoek naar een sterke, zelfbewuste autochtone cultuur die de allochtonen uit hun culturele isolement kan verlossen. Maar helaas: de autochtone cultuur kenmerkt zich door een gebrek aan eigendunk en dito vaderlandsliefde, zo meent Scheffer, en om de cirkelredenering rond te maken, voert hij dat gebrek aan vaderlandsliefde vervolgens op als oorzaak voor de veronderstelde minimale integratie van allochtonen.

Het gebrek aan eigendunk van autochtonen werd in de lopende discussie aardig weerlegd door de soms bijna triomfalistische bijdragen over de superioriteit van de Nederlandse cultuur boven `de' allochtone (lees: islamitische) cultuur. Met name de stellingname van Paul Schnabel, de directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP), dat een multiculturele samenleving een illusie zou zijn, en dat de bijdrage van migranten niet verder zou reiken dan de keuken en de draaitafel, was teleurstellend. Nederland is eerder zwanger van eigendunk, zeker wanneer de toegang tot de nationale verworvenheden afhankelijk wordt gemaakt van culturele assimilatie.

Onderzoek van het CBS wijst uit dat allochtonen op veel punten een aanmerkelijk positiever beeld hebben van de Nederlandse samenleving dan autochtonen. Door de trend om culturele verschillen te problematiseren wordt de legitimiteit van het verblijf van veel allochtonen echter aangetast en dreigen de soms nog broze identificaties met, en de trots van allochtonen op, Nederland te worden beschadigd.

De huidige discussie is wonderlijk genoeg niet begonnen op het dieptepunt van een economische recessie, zoals in de eerste helft van de jaren tachtig, toen de werkloosheid massaal was en de vooruitzichten vrij somber, maar in een periode die zich kenmerkt door gestage economische groei, krapte op de arbeidsmarkt en de zichtbare opkomst van een allochtone middenklasse. Om onder deze omstandigheden te praten over een multicultureel drama, bevreemdt. Daarnaast is niet duidelijk over welke allochtonen we het precies hebben; Surinamers, Somaliërs of inwoners van het voormalig Joegoslavië? Het probleem met de verzamelterm `allochtonen' is dat er altijd een groep `buitenlanders' zal bestaan die past in de diagnoses. Maar wie is er bij gebaat om twee miljoen inwoners van Nederland over één kam te scheren, juist nu er feitelijk steeds minder reden is om dit te doen?

Ook opvallend is het vage gebruik van het concept integratie. Zolang niet vaststaat wanneer het integratieproces is voltooid, is het mogelijk om allochtonen eindeloos te problematiseren. Doordat Scheffer en diens geestverwanten menen dat culturele eigenaardigheden sociaal-economische verschillen instandhouden of zelfs veroorzaken, kan hij ieder verschil problematiseren: een islamitische school, een voetbalclub van Turken, een zwarte wijk. In plaats van ieder verschil bij voorbaat als een vorm van ongewenste ongelijkheid op te vatten, is het beter scherp onderscheid te maken tussen verschillen die vervelend zijn en bestreden moeten worden – zoals sociaal-economische achterstand, sekse-ongelijkheid en homofobie – en verschillen die voor de diverse inwoners van Nederland een andere betekenis hebben.

Het maken van dit onderscheid blijkt overigens niet eenvoudig te zijn: tegenover monoculturalisten als Scheffer en Schnabel, die uitsluitend oog hebben voor verschil – voor Scheffer als ongewenste ongelijkheid en voor Schnabel als superieure onder- en bovenschikking – staan de vrolijke diversiteitsdenkers die menen dat het multiculturalisme vooral veelkleurigheid brengt. Beide posities zijn akelig eenzijdig en beide overschatten het belang van cultureel verschil.

Het monoculturalistische perspectief van Scheffer dreigt het discussieveld te verkleinen tot het koppel cultuur en achterstand. In dit perspectief wordt de concentratie van allochtonen op scholen en in bepaalde wijken met grote vanzelfsprekendheid geproblematiseerd. `Mengen' is het toverwoord, alsof zwarte scholen per definitie benedenmaats zijn en `concentratiewijken' geen bruisend sociaal leven kennen. Ook verdwijnt door deze negatieve koppeling de mogelijk positieve betekenis van organisatie in eigen kring voor de sociale en politieke participatie van migranten. Het bekendste voorbeeld van dit verschijnsel is dat Turkse Nederlanders die zichzelf in sportverenigingen organiseren significant meer deelnemen aan gemeenteraadsverkiezingen dan degenen die in `gemengde' clubs spelen.

Vooral de bevindingen van het SCP spelen in de beeldvorming over allochtonen van Scheffer en Schnabel een leidende rol. Uit de cijfers van het SCP kan echter ook worden opgemaakt dat groepen en generaties migranten die de Nederlandse taal niet beheersten, sociaal-economisch zelfredzaam waren, terwijl migranten die de taal wel machtig zijn, niet aan de bak komen. In plaats van enige relativering van het belang van taal als dé verklaring voor achterstand, zien we echter dat de beheersing van de Nederlandse taal te pas en te onpas wordt genoemd ter verklaring van de positie van allochtonen. De eenzaamheid van ouderen, de werkloosheid van volwassenen, de schoolprestaties van de jongeren, de geringe motivatie van dropouts, de huilbuien van peuters; alles zou te maken hebben met taalachterstand.

De selectiviteit van het taal-argument bleek ook recent weer. Enerzijds zou de gebrekkige Nederlandse taalvaardigheid de verklarende factor zijn voor de massale werkloosheid onder allochtonen. Maar anderzijds neemt bij de huidige krapte op de arbeidsmarkt de bereidheid om asielzoekers en andere vreemdelingen aan te nemen toe, ondanks het feit dat deze nieuwe werknemers de Nederlandse taal nauwelijks beheersen.

De toon in de huidige discussie over de multiculturele samenleving is tot nu toe vooral gezet door enkele blanke mannen uit de baby boom-generatie van kort na de Tweede Wereldoorlog; Pim Fortuyn, Jan Brugman, Pieter Lakeman, Paul Schnabel en Paul Scheffer. Dat maakt dit herendebat niet alleen elitair, het wordt ook gevoerd met verwijzing naar waarden en ervaringen die voor die generatie van belang waren en zijn. Deze auteurs hechten aan een cultureel homogene en min of meer gesloten natie-staat, wat gepaard gaat met een blinde vlek voor transnationale culturele verbanden. Ook worden zij geleid door een afkeer van het zuilenstelsel en groepsbindingen, met als gevolg een vurig verlangen om allochtonen cultureel wit te wassen. Was het Kossmann die zei dat de Nederlandse identiteit zich kenmerkt door een goed gesprek? Dat is precies wat nu op gang moet komen: een goed gesprek. Met alle uiteenlopende stemmen van allochtonen erbij.

DISCUSSIE: www.nrc.nl