Greenpeace

Het is niet onbegrijpelijk dat Shell wederom het doelwit is van Greenpeace. Niet alleen heeft Greenpeace Shell met Brentstar op de knieën gekregen, maar Shell is dientengevolge een geheel nieuwe `ethische' strategie gaan volgen en houdt zich thans ook actief bezig met zonne-energie, windenergie en energie uit biomassa en is zijn interesse in steenkolenmijnen aan het afstoten.

Het is prachtig dat Greenpeace positief is over het produceren van elektriciteit uit zonne-energie. Daar zal in de toekomst grote behoefte aan ontstaan. In haar driejarig Solaris-plan voor de verkoop van zonnecelpercelen aan particulieren heeft Greenpeace maar liefst anderhalf miljoen gulden geïnvesteerd. Greenpeace loopt echter te hard van stapel en – zoals vaak – met oogkleppen op.

Vijftig jaar geleden was het rendement van zonnecellen ongeveer 5 procent; thans is het in de praktijk nauwelijks 10 procent; hogere laboratoriumcijfers blijken in de praktijk niet realiseerbaar. De siliciumcellen van Shell kunnen slechts een beperkt gedeelte van de zonnestraling benutten. Er zou dus in de eerste plaats meer activiteit gestoken moeten worden in het beter benutten van de zonne-energie en niet in het produceren van als maar mee panelen, die niet alleen veel te duur zijn, maar die ook binnen korte tijd verouderd zullen zijn en een woonhuis niet van de benodigde elektriciteit kunnen voorzien.

Een paneel van een vierkante meter kost ongeveer 2.000 gulden. Subsidiëring door diverse instanties brengt de kosten voor de koper tot de helft terug. De energieopbrengst van zo'n paneel is 100 kilowattuur per jaar (kWh/j). Dit betekent dat bij een afschrijving over tien jaar een kWh in feite twee gulden kost. Maar de grootschalige produktiekosten van elektriciteit bedragen momenteel slechts ongeveer 8ct/kWh. Dat is voorlopig een onoverbrugbaar verschil. Shell Solar Energie NV zal wel uitkijken om meer panelen te maken, dan die waarop de forse subsidie betrekking heeft.