Goochelen met vele miljarden

Wat is de economische waarde van allochtonen? Over werknemers en consumenten versus ontvangers van uitkeringen en subsidies.

WANNEER ALLE buitenlanders vandaag Nederland verlaten, is het morgen chaos. Patiënten worden niet verpleegd, kassa's in de supermarkten blijven onbezet, kantoren, scholen en straten vervuilen en crèches sturen ouders met hun kinderen terug naar huis. En dat betreft alleen nog maar de zichtbare banen. Maar even ingrijpend is dat universiteiten grote delen van hun onderzoek moeten stilleggen, dat ondernemingen als DSM, Corus (voorheen Hoogovens) en NedCar hun fabrieken niet kunnen laten draaien en dat bedrijven in de automatisering, de telecom en de advocatuur opdrachten moeten weigeren, omdat ze hun experts kwijt zijn.

Onzin, zeggen de mensen die – om welke reden dan ook – bezwaren hebben tegen de blijvende aanwezigheid van (veel) buitenlanders in Nederland. Natuurlijk zijn er buitenlanders die economisch gezien, wegens hun kennis of kunde, een toegevoegde waarde hebben voor de binnenlandse economie. Maar wanneer alle buitenlanders samen worden bekeken, kosten ze de maatschappij meer dan ze opbrengen. Wat ze als werknemers of consumenten bijdragen aan de economie, weegt niet op tegen de kosten in de vorm van uitkeringen, onderwijs en bijvoorbeeld huursubsidie.

Gaat de economie van een land erop voor- of achteruit door de inbreng van immigranten? Naar die vraag is in Nederland maar zelden onderzoek gedaan, zo stelt publicist Pieter Lakeman in zijn vorig jaar verschenen boek Binnen zonder kloppen. Volgens Lakeman, die voor dit boek vooral bekend was door zijn kritische onderzoeken naar het bedrijfsleven, heeft de Nederlandse regering nooit de moeite genomen om cijfermatig te onderbouwen wat de economische waarde is van allochtonen. ,,De macro-economische effecten van de gastarbeid voor Nederland zijn nooit berekend, noch onder het kabinet-Biesheuvel, noch onder het kabinet-Den Uyl, noch onder een der kabinetten-van Agt, -Lubbers of -Kok', schrijft hij.

In `Binnen zonder kloppen' betoogt Lakeman dat de vestiging van Turken en Marrokanen in Nederland de staat sinds 1974 ten minste zeventig miljard gulden heeft gekost. ,,Wanneer men de rente meetelt [...] bedragen de kosten het dubbele.' Hoe Lakeman exact tot zijn becijfering komt, valt uit de tekst niet op te maken. Als belangrijkste kostenposten noemt hij de sociale uitkeringen, de kinderbijslag, de gezondheidszorg en de huursubsidies, maar ook de opvang in gevangenissen. Ook refereert hij aan de miljarden kostende opvang van asielzoekers en de immigratie vanuit Suriname, waarbij niet duidelijk is of Lakeman die bedragen ook laat meetellen in de eerdergenoemde zeventig miljard.

Tegenover die kosten staan volgens Lakeman niet of nauwelijks baten, waarbij hij verwijst naar het relatief hoge aantal buitenlanders zonder werk. Ook als ze wel een baan hebben, is de economische bijdrage volgens Lakeman gering omdat het in die gevallen veelal om laagbetaald werk gaat. Hij schenkt geen aandacht aan het vaakgenoemde argument dat de maatschappelijke waarde van banen in bijvoorbeeld de schoonmaak of de zorg veel groter is dan in de economische beloning tot uiting komt.

Tegenover de berekeningen van Lakeman, die hem in economisch-wetenschappelijke kring veel kritiek opleverden, staan andere geluiden. Zo kwam het Amsterdamse onderzoeksbureau Delphiconsult in 1995 met het rapport Goudmijn of bodemloze put?, waarin juist werd betoogd dat de staat aan belastingen en premies veel meer binnenkreeg dan aan minderheden werd besteed in de vorm van vooral sociale zekerheid, sociale voorzieningen, onderwijs en gezondheidszorg. Dat heeft de overheid per saldo tientallen miljarden guldens opgeleverd, zo staat in de eveneens in 1995 verschenen bundel Werken in multiculturele organisaties, onder verwijzing naar het onderzoek van Delphiconsult.

De goudmijn heeft de afgelopen decennia wel een deel van zijn glans verloren. Sinds de jaren tachtig nemen de kosten toe, terwijl de opbrengsten afnemen. Oorzaken zijn onder meer de gestegen werkloosheid, het toenemende gebruik van allerlei voorzieningen en de verhoogde investeringen van de overheid in allochtonenbeleid. Daar tegenover noemt Delphiconsult de onderconsumptie van allochtonen op terreinen als volksgezondheid en onderwijs. ,,Minderheden maken minder vaak gebruik van dure gezondheidsvoorzieningen en dure opleidingen (zoals hoger en wetenschappelijk onderwijs).'

Dat de berekeningen over de economische positie van allochtonen vaak somber uitvallen, hangt samen met hun positie op de arbeidsmarkt. Na de massale ontslaggolven in de jaren tachtig, toen vooral oudere allochtonen hun baan in de (zware) industrie kwijtraakten, leek het er lange tijd op alsof zowel jonge als oude buitenlandse werkzoekenden volledig buitenspel stonden. De economische groei van de laatste jaren, in combinatie met het dalende aantal jongeren, leidt er echter toe dat werkgevers zich steeds meer inspannen om allochtone werknemers aan te trekken. En hoewel de werkloosheid onder deze beroepsgroep nog aanzienlijk hoger ligt dan het gemiddelde, is een daling duidelijk zichtbaar, stelt het Centraal Bureau voor de Statistiek.

Is de arbeidsmarkt nu al krap, in de komende jaren zal het gebrek aan voldoende goedgeschoolde werknemers alleen maar toenemen. De afgelopen maanden duiken al steeds vaker berichten op dat bedrijven in het buitenland op zoek gaan naar personeel. Zo maakte de garageketen Kwik-Fit deze week bekend in Polen te gaan werven voor monteurs. Kwik-Fit is niet de enige. Vorig jaar hebben de gezamenlijke arbeidsbureaus 21.000 werkvergunningen afgegeven aan werknemers die afkomstig zijn uit landen van buiten de Europese Unie, 6.000 meer dan het jaar ervoor. Het Centraal Planbureau heeft berekend dat bij een evenwichtige economische groei in het jaar 2015 de Nederlandse beroepsbevolking een miljoen mensen tekort zou komen als er geen allochtonen zouden werken.

Omdat werk steeds complexer wordt, zullen die banen alleen kunnen worden vervuld door mensen met een toereikende opleiding en een goede taalbeheersing. Door daarin nu tijd en geld te steken, voorkomen overheid en bedrijven de problemen van straks, concludeerden onderzoekers van KPMG Bureau voor Economische Argumentatie al in 1994: ,,Jongeren en nieuwkomers vormen het economisch potentieel voor de toekomst en investeren in deze categorie op de arbeidsmarkt is zeer rendabel.'