Een monument voor de slavernij

Enige tijd geleden is het idee geopperd een monument op te richten ter herinnering aan de slavernij. Minister Van Boxtel was vóór en premier Kok had er ook wel oren naar. Er verschenen een paar stukken over in de krant, maar daarna hebben wij er niet veel meer van gehoord. Dat is jammer want hoewel ik in het algemeen geen voorstander ben van `brede maatschappelijke discussies', is dit een onderwerp dat zich bij uitstek hiervoor leent.

Het idee is zeker sympathiek. Of het ook een goed idee is, hangt af van de vraag aan wat voor monument men denkt. Monumenten zijn er immers in soorten en maten. Er zijn bouwwerken die nooit als monument bedoeld zijn geweest, maar die eenvoudigweg door alsmaar ouder te worden vanzelf de status van monument hebben verworven. Er zijn ook monumenten die als monument, in de zin van gedenkteken, zijn opgericht. Deze zijn bedoeld als huldeblijk of eerbewijs aan grote mannen, nationale helden of zelfs aan een heel volk.

Dat is echter in dit geval niet de bedoeling. Dit monument is niet bedoeld als huldeblijk voor de wrede, maar vrome, slavenhandelaren, die een beperkte, maar bijzondere, bijdrage leverden aan de groei van de welvaart van de Nederlandse Republiek. Evenmin is het een eerbewijs aan de plantagehouders, die met hun suiker- en koffieproductie onze voorouders voorzagen van de door hen zo vurig begeerde genotmiddelen. En het is ook niet bedoeld als huldebetoon voor de wakkere pikbroeken die met gevaar voor eigen leven de oceanen trotseerden. Nee, het beoogt de lotgevallen van de slaven in herinnering te brengen. Het is een eerbewijs aan de Nederlanders die van die vroegere slaven afstammen en tevens een schuldbelijdenis, een mea culpa, van de overige Nederlanders. Dit maakt het tot een bijzonder soort monument, want zulke monumenten zijn er niet veel.

Gedenktekens worden om verschillende redenen opgericht. Een van de meest klassieke motieven is de herdenking of verering van de doden. Een andere belangrijke reden voor monumentenbouw is de verering der goden, al zijn de meeste gods- en gebedshuizen natuurlijk in eerste instantie niet bedoeld als gedenktekens, maar als functionele gebouwen. Een derde en zeer vruchtbare bron van inspiratie zijn veldslagen, in het bijzonder overwinningen. Op dit gebied bestaat in Europa een zeer oude traditie, die loopt van de triomfbogen van de oude Romeinen via die van Lodewijk XIV, tot de Arc de Triomphe in Parijs en de Brandenburger Tor in Berlijn.

De negentiende eeuw leverde veel nieuwe aanleidingen tot monumentenbouw. Die hadden vaak te maken met het toen zo bloeiende nationalisme. De bevrijding van vreemde bezetters bijvoorbeeld werd gevierd met monumenten als op het Plein 1813 in Den Haag. Het bereiken van de nationale eenheid gaf al evenzeer aanleiding tot grootse monumenten, zoals het Kaiser Wilhelm I Denkmal in Koblenz en het overweldigende pronkstuk van Victor Emmanuel in Rome. De Tweede Wereldoorlog, of liever gezegd het einde ervan, de bevrijding dus, bood nieuwe impulsen tot een omvangrijke monumentenbouw, ook in ons land. In 1980 waren in Nederland al vijftienhonderd monumenten ter herinnering aan de Tweede Wereldoorlog opgericht en daar zijn er later nog heel wat bijgekomen. Elsbeth Locher-Scholten heeft er in een artikel in het historische tijdschrift met de pakkende titel Bijdragen en mededelingen betreffende de geschiedenis der Nederlanden (114 (1999) 2) op gewezen dat de monumenten ter herdenking van de Indische episode van de Tweede Wereldoorlog hierbij in aantal wel heel schril afsteken. Het Indisch monument in Den Haag is overigens wel het monument dat met de meeste aandacht en liefde wordt verzorgd.

In deze monumenten voor de Tweede Wereldoorlog vinden wij een nieuw element. Terwijl de eerder genoemde monumenten triomfalistisch en nationalistisch zijn, overheerst hier het thema van de bezinning. Naast vreugde over de bevrijding wordt vooral aandacht gevraagd voor het lot van de gevallenen, gedeporteerden en vermoorden. De heldenmoed van sommigen wordt geëerd, maar het lijden van velen overheerst. Dit motief is niet helemaal nieuw, want wij vinden het ook in de grootste groep monumenten die ooit in één land aan één gebeurtenis is gewijd, namelijk de Franse monumenten ter herdenking van de Eerste Wereldoorlog. Er zijn in korte tijd meer dan dertigduizend van deze monumenten opgericht en we vinden ze dan ook in ieder dorp en gehucht.

Deze monumenten herinneren dus vooral aan de verliezen die zijn geleden en de offers die zijn gebracht. Maar in die gedenktekens is het lijdenselement toch ook nauw verbonden met andere thema's als moed, offerzin en heroïek. Het feit dat de Fransen die oorlog hebben gewonnen, is hierbij een belangrijke factor geweest, want een nederlaag inspireert nu eenmaal minder tot herdenken dan een overwinning. Ik geloof niet dat er in Duitsland na 1918 veel oorlogsmonumenten zijn opgericht. De Amerikanen hebben om dezelfde reden nogal wat moeite gehad met de herinnering aan de Vietnam-oorlog. Het monument dat hiervoor is opgericht, memoreert de Amerikaanse gevallenen. Het is echter niet bedoeld als excuus of schuldbekentenis. Het is geen monument voor de Vietnamese slachtoffers van de oorlog.

Met het monument voor de slavernij ligt dat anders. Dat is bedoeld als een herinnering aan wat thans algemeen wordt beschouwd als een wandaad. Het ligt niet erg voor de hand dat een volk monumenten opricht om te herinneren aan eigen vroegere wandaden. Er bestaat een bekend maar omstreden voorbeeld van: het geplande holocaustmonument in Berlijn. Het slavernijmonument valt min of meer in dezelfde categorie. De belangrijkste vraag is dan ook niet of het er moet komen, maar in welke vorm en op wiens initiatief. Dat de regering zelf zo'n monument zou oprichten, lijkt mij geen gelukkig idee. Als er een monument moet komen, dan zal het initiatief hiertoe moeten uitgaan van de slachtoffers, de afstammelingen van de slaven dus. De vorm en inrichting ervan zouden door hun voorkeuren en inzichten moeten worden bepaald. De regering kan het project uiteraard wel financieel ondersteunen. Een museum of studiecentrum voor de geschiedenis van de slavernij en de slavenhandel lijkt mij overigens een beter idee.

Het echte monument voor de slavernij is er echter al. Dat zijn de Surinaamse en Antilliaanse Nederlanders die hier thans wonen. Hier geldt het beroemde woord: Si monumentum requiris, circumspice (Als gij een monument zoekt, kijk dan om u heen).