Een handdruk mag worden geweigerd

Wanneer mag een hoofddoekje worden verboden en wanneer niet? Jurisprudentie geeft aan waar de grenzen van de eigen cultuur liggen.

DE WETHOUDER ONDERWIJS in Almere steekt vriendelijk haar hand uit naar de directeur van de islamitische school. Hij houdt zijn armen stijf naast zijn lichaam. De uitgestoken hand van de wethouder blijft ongemakkelijk bungelen.

Er volgt een gesprek. Het bestuur van de Al-Iman school zegt dat het moslims niet is toegestaan lichamelijk contact te hebben met het andere geslacht. De wethouder besluit het maar te respecteren. Wat kan ze ook anders.

In een reactie in Trouw vraagt burgemeester W. Plomp van Staphorst zich retorisch af: ,,Hoe ver mag tolerantie [van autochtonen] gaan als dit allochtonen ruimte biedt tot een vorm van intolerantie die zich bedient van wat wij in onze cultuur onbeschoftheid noemen, en discriminatie van de andere sekse? Mag je niet van beide kanten wat geven en nemen verwachten?''

Zeker, maar toch staat het bestuur van de islamitische school in zijn gelijk. Althans, als een uitspraak van de commissie gelijke behandeling maatgevend is.

Eind 1998 komt een islamitisch echtpaar bij de tandarts. De vrouw weigert de mannelijke tandarts een hand te geven. De tandarts is zo boos dat hij van de weeromstuit weigert het gebit van de man te bekijken. Hij dient ook nog een klacht in bij de commissie gelijke behandeling: discriminatie op grond van geslacht. Maar de commissie oordeelt dat van discriminatie geen sprake is. De islamitische vrouw staat in haar `recht'. Geloof wint het van omgangsvormen.

Zo'n tien jaar geleden werd het concept `integratie met behoud van cultuur' geïntroduceerd. Een trouvaille, een `win-win'-situatie, iedereen blij. Maar soms blijkt integratie te botsen met behoud van cultuur. En af en toe worden dat soort botsingen bij de rechter uitgevochten. Jurisprudentie geeft dan ook een aardig inzicht in de vraag waar de grens wordt getrokken tussen de twee soms strijdige begrippen.

Voorbeeld? Een Marokkaanse vader wil niet dat zijn dochter meedoet aan de verplichte gemengde zwemles op school. Hij wijst de rechter op een vers in de koran. De rechter oordeelt dat de korantekst wel erg ruim is geïnterpreteerd en dat er niet expliciet staat dat gemengd zwemmen verboden is. De zaak gaat naar de Hoge Raad. Die oordeelt tweeslachtig. De school heeft gelijk omdat de vader nooit een formeel verzoek om vrijstelling heeft gedaan. Maar de vader heeft gelijk dat de Nederlandse rechter niet moet pretenderen de wijsheid over de koran in pacht te hebben.

Ander voorbeeld: een vrouw werkt al zes jaar als kapster. Op een dag besluit ze een hoofddoek te dragen. De eigenaar van de kapperszaak vindt dat dit niet kan, in een kapperszaak. Zijn clientèle zou afnemen en hij wil de vrouw ontslaan. Ze vecht het ontslag aan bij de rechter, die haar gelijk geeft. De kapper heeft volgens de rechter ,,niet voldoende aangetoond'' dat zijn zaak echt in de problemen komt door een kapster met hoofddoek.

In de discussie over integratie en behoud van cultuur wordt regelmatig gesproken over `inschikken'. Vertegenwoordigers van allochtone organisaties vinden dat Nederland niet alleen met de mond integratie moet belijden, maar ook in de praktijk ruimte moet maken voor verschillende culturen. Dus willen zij vrije dagen op islamitische feestdagen, het Offerfeest als nationale feestdag, een gebedsruimte op de werkplek en gescheiden gymlessen op school. Volgens hen zal integratie beter verlopen als Nederland ruimte biedt voor cultivering van de eigen identiteit.

Minister Van Boxtel (Minderhedenbeleid) is het daar wel mee eens. Zijn houding: alles prima, zolang het de grenzen van het Nederlandse rechtssysteem niet aantast. ,,Bidden op een openbare school vind ik goed. Maar de grens is de Nederlandse grondwet. Daaraan valt niet te tornen.''

Volgens Susan Rutten, docent privaatrecht aan de universiteit in Maastricht, gebeurt dat in de praktijk ook niet echt. Zij schreef jaren geleden voor het ministerie van Binnenlandse Zaken het overzichtswerk Moslims in de Nederlandse Rechtspraak. Sindsdien houdt ze alle jurisprudentie bij. ,,Bij uitspraken over de leerplicht of in strafzaken wordt aan de grondbeginselen van het Nederlands recht niet getornd.''

Maar het ligt lang niet altijd zo duidelijk. Een kind uit een polygaam huwelijk erkennen? Een werknemer die in werktijd wil bidden? Wie krijgt het gezag over een kind? In Nederland meestal de moeder, in Marokko altijd de vader. In dit soort zaken doen rechters zelden een principe-uitspraak, zegt Rutten. ,,Er wordt een belangenafweging gemaakt.''

Als voorbeeld noemt ze een zaak van een islamitische vrouw met een uitkering. De vrouw weigert een baan omdat er in dat bedrijf allemaal mannen werken. Haar uitkering dreigt te worden ingetrokken, er volgt een procedure en de vrouw krijgt gelijk. Het zou problemen geven met haar geloof, haar man en haar omgeving als ze bij dat bedrijf ging werken, dus kan `in redelijkheid' niet worden verlangd dat ze de baan accepteert.

Maar dat gold voor dit geval. Een Marokkaanse vrouw vraagt een uitkering aan en zegt tegelijk niet beschikbaar te zijn voor de arbeidsmarkt, omdat ze al huishoudelijk werk verricht. De uitkering wordt geweigerd, de vrouw spant een procedure aan, maar krijgt geen gelijk en geen uitkering.

Verschillende factoren spelen mee bij de belangenafweging door de rechters. ,,Het beroep op godsdienst is een sterk argument'', zegt Rutten. ,,Daar moet iets heel belangrijks tegenover staan.'' Voorbeeld is de uitspraak van de Hoge Raad over het dragen van een hoofddoekje door leerlingen op een openbare school in Alphen aan den Rijn. Sindsdien worden vrijwel alle hoofddoekjeszaken gewonnen door de draagsters.

Behalve bij de gymles. Rutten: ,,De commissie gelijke behandeling heeft toen meisjes een koprol laten maken, om te kijken of die hoofddoek gevaar op zou leveren. Prachtig toch! Uiteindelijk vond de commissie dat het om veiligheidsredenen geen discriminatie was tijdens de gymles een hoofddoek te verbieden.'' Lange mouwen dragen bij de gymles moet trouwens wel mogen, oordeelde de commissie in een andere zaak.

Andere factoren die meespelen, zijn het nogal brede gelijkheidsbeginsel en de mate waarin iemand is ingeburgerd in Nederland. Hoe meer ingeburgerd, hoe minder aanspraak op `culturele achtergrond'. Een mooi voorbeeld van belangenafweging is de baanbrekende uitspraak van de Hoge Raad in 1984 over een vrouw die op staande voet werd ontslagen, omdat zij op een islamitische feestdag weigerde te werken. Oordeel: als iemand tijdig een snipperdag vraagt voor een belangrijke feestdag, kan dit geen reden voor ontslag zijn. Maar de Hoge Raad maakte ook een voorbehoud: als de belangen van de werkgever ernstig worden geschaad, dan geen vrije dag.

Rechters houden, zo blijkt uit de jurisprudentie, rekening met culturele achtergrond, geloof en soms met de ongelijkheden tussen seksen in andere culturen. Geldt dat ook voor een zaak van eerwraak, zoals recent de schietpartij op een school in Veghel? Rutten: ,,De rechter zal nooit zeggen: iemand is niet strafbaar omdat eerwraak in Turkije door een heel andere bril wordt bekeken. Maar per individu wordt er wel met de omstandigheden rekening gehouden. Het is niet ondenkbaar dat in zulke gevallen de culturele achtergrond onder psychische overmacht zou kunnen vallen.''