Den Haag evolueert van stil loyaal naar toch kritisch

Nederlands grote NAVO-partners, met name de VS, Frankrijk en Groot-Brittannië, zullen opkijken van de kritiek die gisteren uit Den Haag kwam. Namelijk op hun volgens de Nederlandse regering soms eigengereide en te dominante optreden tijdens de NAVO-luchtacties tegen Servië vorig jaar. In de lang verbeide Kosovo-evaluatie van het tweede kabinet-Kok worden `de groten' in het bondgenootschap immers verwijten gemaakt die zij waarschijnlijk maar moeilijk kunnen rijmen met de positie die Nederland tijdens de oorlog innam.

Want die Nederlandse positie, zowel die van de Tweede Kamer als van het kabinet en Kok zelf, is ondanks een kwantitatief en kwalitatief goede bijdrage van de luchtmacht steeds zeer terughoudend geweest. Dat gold voor de informatie over de voortgang van de operaties, die praktisch helemaal werd overgelaten aan de NAVO, in casu aan de nu wegens hun foute stijl en toonzetting zo gekritiseerde dagelijkse persconferenties van woordvoerder Jamie Shea. En het gold voor de informatie die de Tweede Kamer kreeg. De fractiespecialisten hebben daarover vorig jaar bij herhaling geklaagd.

Meer in het algemeen heeft Nederland heel loyaal maar ook heel stil aan de luchtacties deelgenomen. Van dramatische gestes of retorische pogingen het publieke draagvlak voor de acties te versterken was nauwelijks sprake. Veelzeggend was bijvoorbeeld dat de Tweede Kamer al in oktober 1998, vóór de conferentie van Rambouillet en terwijl de NAVO nog slechts bezig was met de voorbereiding van de Activation Order voor het geval dat militair moest worden opgetreden, al zonder plenair debat instemde met het aanbod om voor dat eventuele geval zestien F-16's en twee tankvliegtuigen beschikbaar te stellen.

Ook een zin in de brief van de regering daarover (8 okt. 1998), die later nog betekenis zou krijgen, bleef in de Kamer praktisch onbesproken. Namelijk dat de Nederlandse eenheden in het belang van ,,een heldere commandostructuur'' geheel binnen NAVO-verband zouden worden ingezet. Dat klonk ook als: hier is ons aanbod, wij bemoeien ons er verder niet meer zo mee, de NAVO doet de voorlichting, bepaalt het verloop en de opzet van de acties. En zo ging het dan ook, maandenlang. Geen wonder dat generaal Short, NAVO-commandant in Zuid-Europa, na de oorlog in de Senaat zei: je kunt die Nederlanders om een boodschap sturen, ze hebben goed materieel, goede mensen en stellen geen lastige vragen.

Maar grote landen met hun eigen politieke zorgen en draagvlakbesognes en meer globale kopzorgen dachten daarover vrijwel direct anders dan Nederland. Die wilden successen van ,,hun'' wapens en militairen graag en snel aan de kiezers melden, wat een vorm van draagvlakpromotie werd die in Washington, Londen en Parijs veel ruimer werd toegepast. Dat vooral Washington, dat voor 70 procent in de slagkracht bijdroeg, ook een grote say in de doelenkeuze en de uitvoering had en daarbij minder betekenis gaf aan het overleg met andere NAVO-leden was voor Nederland verdrietig gezien zijn verhoudingsgewijs grote bijdrage. Maar zó verrassend was dat niet.

Veelzeggend voor de Nederlandse positie was ook dat Kok de mededeling over het begin van de acties niet zelf deed, anders dan Clinton, Chirac en Blair in hun hoofdsteden voor de tv deden, maar liever op een EU-Top in Berlijn bleef en zo'n mededeling overliet aan minister Van Aartsen (in de Tweede Kamer). Niet alleen het feit dat Nederland de actie Allied Force als het ware zag als een operatie conform artikel 5 van het NAVO-verdrag (het bijstandsartikel in geval van oorlog) maar ook Koks eigen, van militair geweld afkerige, naturel kan daarbij een rol hebben gespeeld. Iets van dat naturel bleek een paar weken later opnieuw toen minister De Grave vroeg of hij NAVO-commandant Wesley Clark voor overleg in het Catshuis mocht ontvangen en Kok akkoord ging op voorwaarde dat hij zelf niet aanwezig hoefde te zijn, wat Clark zal hebben verbaasd.

Dat Nederland in zijn Kosovo-evaluatie nu kritisch doet jegens de VS en andere grote NAVO-partners, mag vooral een succes heten voor PvdA-fractieleider Melkert. Hij vroeg vorig najaar om zo'n evaluatie, tijdens de Algemene beschouwingen in de Tweede Kamer en later (14 okt.) in een toespraak bij de publicatie van de aan de NAVO-acties gewijde studie ,,Van crisis tot crisis'' van de onderzoekers Leurdijk en Zandee van Clingendael. Wie Melkerts kritische vragen van toen naast de Kosovo-evaluatie van gisteren legt ziet dat hij veel heeft ,,binnengehaald''. Hij sprak vorig najaar over de ,,kunstjes uit de pr-school van woordvoerder Shea'', risico's daarvan voor het publieke draagvlak in landen als Nederland en ,,onopgehelderde meningsverschillen over in te zetten middelen, die de effectiviteit van de interventie hinderden''. Daarmee had Melkert de toon gezet voor een lange discussie in het kabinet, waarin de VVD-ministers Van Aartsen en De Grave almaar meer in zijn richting moesten opschuiven. Zodat er nu een Kosovo-evaluatie ligt die de NAVO weliswaar niet op haar grondvesten zal doen trillen maar die voor Melkert en zijn PvdA een nuttige politieke functie heeft doordat zij haar als grootste regeringspartij terugbrengt in een centrale positie in het Nederlandse debat. Wat nogal wat is voor een partij die zich GroenLinks van het lijf moet zien te houden, die eerder in anderhalf jaar tijd twee bijna haaks op elkaar staande notities over de toekomst van de Nederlandse krijgsmacht uitbracht en die, kort voor het grote debat over Europese defensiesamenwerking, zomer 1998 als geen ander verantwoordelijk was voor de in het regeerakkoord afgesproken bezuinigingen op Defensie.