Mijnen ruimen in de Betuwe

Na de oorlog '40-'45 lagen er in het niemandsland tussen Arnhem (`Een brug te ver') en Nijmegen nog tienduizenden landmijnen, het resultaat van acht maanden frontschermutselingen. Het talrijkst waren de `shoe-mines.' Ze leken op een ouderwets houten griffeldoosje en waren bedoeld voor het afrukken van een voet. De veel grotere, metalen mijnen waren rond, van boven en van onderen afgeplat. Zij dienden voor het opblazen van tanks, jeeps en andere legervoertuigen.

Nederland werd in die hete zomer van 1945 na de bevrijding geregeerd door het `Militair Gezag'. Dit orgaan wierf mannen aan om de Betuwe vrij van landmijnen te maken. De arbeidstijden van deze mijnenruimers waren van 10 tot 12 uur en van 14 tot 16 uur, omdat het werk veel van hun zenuwen eiste.

Om half tien 's ochtends vertrokken uit Lent telkens circa twintig met een spoedcursus opgeleide mannen, een mijnenexpert en een EHBO'er in een legertruck naar het doel van die dag. Naarmate zij het voormalige front naderden stieten zij op wegen waarlangs borden stonden: `Road and verges not checked', aangevende dat het wegdek en de bermen nog niet op mijnen waren onderzocht.

Op de plaats van bestemming werden de mannen naast elkaar in een rij opgesteld. Ze ontvingen een soort degen met een scherpe punt en op het sein van de leider begon de rij langzaam dwars over het te onderzoeken veld te lopen. Elke man prikte zijn degen vlak voor zijn voeten in de grond, er voor zorgend dat hij aansloot bij zijn rechter- en linkerbuurman. Wanneer iemand een holle klank of een metalen geluid onder zijn degenpunt meende waar te nemen, sloeg hij alarm. De rij ging dan een eind achteruit en de mijnexpert groef het voorwerp met de hand en een houten schopje uit, waarna het onschadelijk werd gemaakt.

Bij een van die trucks was ik aangesteld als EHBO'er. Na mijn kandidaatsexamen medicijnen in juni '45 was ik door het Militair Gezag daarvoor aangenomen. De honorering bedroeg ƒ7,50 en een warme maaltijd per dag. De ruimers kregen natuurlijk meer.

Drie maanden lang gebeurde er wonderlijk genoeg geen ongeluk. De medische hulp beperkte zich tot verkoudheden, maagdarmstoornissen, steenpuisten en ander klein ongerief. De eerste dagen hadden de mannen mij gemeden, maar toen ik begrepen had dat deze vrijgevochten kerels zich mentaal op de been hielden via een collectief gevoel van onkwetsbaarheid en niet op de interventie van een student zaten te wachten, klaarde de verhouding op. Overigens verrichtten ze niet iedere dag het gevaarlijke prik- en graafwerk, maar brachten ze op andere dagen de her en der aangetroffen explosieven naar centrale verzamelplaatsen. Dat we daarbij in de laadbak op de granaten zaten werd niet als een probleem gezien.

Natuurlijk traden er talrijke incidenten op. Zo was er een wei die na het verwijderen van antitankmijnen veilig was verklaard. Toen de veehouder koeien in de wei losliet, sneuvelden er binnen een dag drie als gevolg van een onontdekte kettingbom.

Een ander voorval betrof een middelgroot dorp. Halverwege een bloedhete ochtend was de burgemeester ons persoonlijk komen bedanken voor onze inzet en had trots verteld dat zijn dorp als eerste in de Betuwe in alle huizen weer vensterglas had. Even buiten het dorp hadden de mannen al wekenlang explosieven op hoge stapels gelegd. Toen we tijdens de middagpauze in een boomgaardje lagen te slapen ging door oververhitting die hele berg met apocalyptische explosies de lucht in. Het meest bedreigend waren de handgranaten die vlak bij ons in de lucht ontploften zodat er geen dekking mogelijk was. Wonderwel werd niemand geraakt. Uiteraard kwam een afgezant van de burgemeester ons vertellen dat dit nu een van de dorpen was dat helemaal géén vensterglas meer had.

Weer een ander voorval speelde zich eveneens in de middagpauze af. Een kilometer van het werkterrein van die dag lag een neergeschoten RAF-vliegtuig. Enkele fantasten dachten dat er nog wel iets in dat wrak te halen viel. Ik was zo lichtzinnig mee te gaan, niet zozeer om te gappen maar om zo'n grote kast van binnen te zien.

Toen we er met een omweg bij kwamen troffen we een leeg karkas, waar voor geen stuiver meer aan waarde inzat. Zelfs het dashboard in de cockpit was in zijn geheel gesloopt. Omdat we laat waren, bedacht een van de mannen een snellere terugweg naar de truck. Halverwege gaf iemand een kreet: `Mijnen!' Pas toen ontdekten we dat we in een mijnenveld zaten. In ganzenpas bereikten we drie kwartier te laat de truck, onderweg zoveel mogelijk mijnen onschadelijk makend en met grote passen over verdachte plekken heen stappend, hetgeen niet bevorderlijk was voor de gemoedsrust.

Het vierde voorval vond plaats net voor ik terug moest naar Utrecht. Montgomery had vanuit Bremen krijgsgevangen Duitse Geniesoldaten naar de Betuwe gestuurd. Een eenheid daarvan ging met ons mee omdat de bemanning die mijnen daar zelf had gelegd. De bevelvoerende Duitse officier zag eruit als een lachwekkend-schele boef, maar hij bleek een brave huisvader die mij weemoedig gebarsten zwartwitfotootjes van drie kleine meisjes liet zien.

In de door ons veilig verklaarde percelen vonden de Duitsers nog bedenkelijk veel mijnen. Hun geheim was dat ze lange koorden hadden, waarop om de zoveel centimeter witte stippen stonden. Met behulp van een speciale atlas duwden zij met feilloze precisie aan begin en eind van zo'n koord aan een stokje in de grond, waarna er bij iedere stip een mijn lag. Ondanks hun ruwe kwinkslagen waren onze mannen onder de indruk. Het was tenslotte in die maanden ook hún vak geworden.