Gezagsdrager dient onkreukbaar te zijn

Wie hoog in de boom zit, bewijst zijn organisatie de beste dienst door integriteit uit te stralen. Maar niet alleen het werkelijke gedrag telt, zelfs de schijn van niet integer handelen moet vermeden worden. En dat geldt des te meer voor politieke gezagsdragers, meent B.W.M. van der Lugt.

Aan een gezagsdrager, of dit nu een politicus, een hoge ambtenaar of een werkgevende ondernemer is, worden hoge eisen gesteld. Die eisen worden gesteld door de werknemer, door de burger en de maatschappij als het om integriteit gaat.

De werknemer, ambtenaar of niet, moet in de eerste plaats kunnen rekenen op duidelijke en heldere, interne regelgeving. Hij mag niet in het ongewisse blijven over wat van hem wordt verwacht. Toelaatbaarheid van nevenfuncties is echter niet altijd nauwkeurig gedefinieerd, declaratieregels gaan te vaak uit van ficties en zijn soms zelfs gewoon strijdig met andere regels zoals die inzake representatiekosten of de regeling inzake kosten gemaakt in verband met geoorloofde nevenfuncties. Het gebruik van creditcards op naam van de zaak kan de zaak erg mistig maken. Zelfs voor juristen blijkt de regelgeving binnen de overheid vaak erg ontoegankelijk; misbruik wordt bijna uitgelokt.

In de tweede plaats: omdat niet alles in regelgeving kan worden gevat (de rechtsfilosoof Dworking: `Principes kunnen nooit uitputtend in wetten worden geregeld') is het nodig om in elk geval een richtsnoer te hebben bij professionele, ethische dilemma's, die zich zowel hoog als laag in de organisatie kunnen manifesteren. Een gedragscode geeft dan aan wat de gecodificeerde gemeenschappelijke waarden en normen zijn waarvoor men als entiteit heeft gekozen. Deze beschrijft: `Zo zijn onze manieren'.

Vervolgens heeft de werknemer – het klinkt paradoxaal – recht op controle en behoefte aan decharge na controle. Ook aan sociale controle, maar dan ontdaan van een negatieve connotatie. Waar sprake is van openheid kan en wil men aangesproken worden op zijn gedrag; in het gunstigste geval wil men zich zelfs met graagte verantwoorden. Bevoegdheid geeft verantwoordelijkheid en verantwoordelijkheid noopt tot verantwoording. Waar dat stagneert, ontstaat een gevaarlijke, broeierige sfeer: `Als jij mij met rust laat, laat ik jou met rust'. Collegialiteit betekent immers ook het elkaar behoeden voor voetangels en klemmen. Zeker van een politicus mag verwacht worden dat hij weet dat hij vijanden maakt en dat hij zich niet laat `pakken' op het riskante terrein van declaraties, waar door tegenstrevers tegenwoordig zo makkelijk gescoord kan worden. Als transparant gehandeld wordt, is men bereid veel te accepteren. Iedereen is ervan te overtuigen dat onderhandelingen met top-industriëlen niet gevoerd kunnen worden met een broodje kaas en een glas karnemelk.

Tot slot is onontbeerlijk het goede voorbeeld van de absoluut onkreukbare superieur. Zonder scrupuleus gedrag te propageren, mag gesteld worden dat matigheid en een lichte graad van soberheid een gezagsdrager sieren, zulks temeer als gemeenschapsgeld in het geding is. Een al te uitbundige optieregeling voor leidinggevenden of de aanschaf van een dienstauto van 8.000 gulden boven de daarvoor geldende norm, zal in de jaarrekening weliswaar geen enkele rol spelen, maar het geeft wel een uitermate verkeerd signaal; het daagt zelfs uit en lijkt regentesk. Slecht voorbeeld vanuit de top doet helaas ook `goed' volgen. Het initieert een fout klimaat. De werknemer wil zich kunnen spiegelen aan de boven hem gestelden.

Maar ook de burger wil gezagsdragers waar hij in moreel opzicht tegen op kan zien. Het is al erg genoeg dat wereldleiders zich seksueel misdragen, dat partijkassen worden gespekt met middelen waarvan de herkomst onduidelijk blijft, dat ministers op kosten van het bedrijfsleven de Olympische Spelen in Barcelona bezochten en dat vier exemplaren van de Margriet worden gedeclareerd. Voor de oude Drees stak ik mijn hand in het vuur; hij trakteerde de minister van Buitenlandse Zaken van de Verenigde Staten op mariakaakjes.

Gezag uitstralen begint met respect verwerven. Hebben we nog zo weinig geleerd van wijlen minister Dales?

Wie hoog in de boom zit, bewijst zijn organisatie de beste dienst door integriteit uit te stralen. `Walk like you talk.' Het gaat overigens niet alleen om het werkelijk gedrag; zelfs de schijn van niet integer handelen moet vermeden worden. Dat geldt des te meer voor de politieke gezagsdrager; voor hem is zowel feit als beeld belangrijk. Als aanhoudende geruchten – niet een enkele roddel – hem oninteger gedrag toeschrijven, kan dat zijn functioneren als boegbeeld van de integriteit van het openbaar bestuur, op zijn minst tijdelijk, onmogelijk maken. Die geruchten reeds doen schade aan de ambtelijke organisatie waaraan hij leiding geeft. Om na incidenten de cultuur van de organisatie weer op het goede spoor te zetten is een grote inspanning, een fabuleuze inhaalslag nodig. Zeker als het collectief inzake de integriteit de sturing kwijt is geraakt, de morele autoriteit is onthouden, als onzekerheid zich manifesteert en individueel handelen `naar bevind van zaken' dreigt, dan wel anderszins verkramping optreedt.

En als dan toch een gezagsdrager onverhoopt onderwerp van een forensisch onderzoek geworden is, past hem (ook dat is voorbeeldgedrag) bescheidenheid en medewerking in belang van de waarheidsvinding. Dat laatste is allerminst hetzelfde als het moeten bewijzen van je eigen onschuld. Als men als betrokkene geïnterviewd wordt door accountants, juristen of andere medewerkers van afdelingen forensic services, kan de indruk ontstaan als `verdachte' te worden gehoord. Wat is daar mis mee? Zij nemen daarbij immers – en terecht – zoveel mogelijk en in het belang van de zorgvuldigheid waarbij ook zijzelf gebaat zijn, alle waarborgen in acht die ook in het Wetboek van Strafvordering zijn opgenomen. Dat geeft aan opdrachtgever en betrokkene de meeste garanties voor juistheid en volledigheid. Wie geschoren wordt, kan beter meegeven of stilzitten.

Mr. B.W.M. van der Lugt is adviseur integriteit en directeur Deloitte & Touche Forensic Services.