Europa moet aanzet geven tot economische vernieuwing

EU-leiders bespreken morgen en overmorgen in Lissabon het thema `Werkgelegenheid, economische hervormingen en sociale samenhang – naar een Europa van innovatie en kennis'. Dit is hèt moment om Europa een nieuwe impuls te geven ter verwezenlijking van zijn ambities, vinden W. Kok en A. Jorritsma-Lebbink.

Economisch staat de Europese Unie er goed voor. De groeivooruitzichten zijn niet slecht. En over een krappe twee jaar is de euro een feit. Dat kan de indruk wekken dat Europa `af' is. Niets is minder waar. De werkloosheid in de EU is met bijna 9 procent nog veel te hoog, en nieuwe technologische ontwikkelingen zullen de Europese samenlevingen dwingen er adequaat op te reageren. Het flexibeler maken van de Europese economieën moet doorgaan. Daar komt nu de noodzaak bij tot versterking van het vernieuwings- en groeivermogen en modernisering van sociaal beleid.

De EU-top moet zich in Lissabon richten op het wegnemen van belemmeringen voor burgers in de reële en virtuele Europese ruimte en het verwijderen van barrières voor bedrijven ter verwezenlijking van een werkelijk geïntegreerde Europese markt. De top moet zo een impuls geven om de Europese ambities van meer groei, meer werkgelegenheid en meer sociale cohesie waar te maken. Deze moeten gezien worden in het licht van een voortgaande internationalisering en snelle technologische ontwikkelingen, zoals het Internet, die de markten groter en de wereld kleiner maken.

Vergeleken met de Verenigde Staten maakt de EU minder gebruik van de mogelijkheden die daardoor ontstaan. De VS blijken beter dan Europa in staat de mogelijkheden van nieuwe technologische ontwikkelingen te benutten en daar nieuwe welvaartsgroei mee te genereren. Terwijl de Amerikanen ruim 16 procent van de toegevoegde waarde in hun verwerkende industrie verdienen in de high-tech groeisectoren, is dat in de EU slechts 10 procent. De internetpenetratie in de VS is 60 procent tegen 14 procent in de EU. Door deze voorsprong kan het Amerikaanse bedrijfsleven steeds meer de technische standaarden vaststellen die wereldwijd gelden. Zo dreigt de bestaande kloof, die al groot is, verder te groeien.

Ook afgemeten aan de kwaliteit van onze menselijke hulpbronnen, presteert Europa nog te zeer beneden zijn kunnen. De relatief lage arbeidsparticipatie trekt een wissel op de welvaartsontwikkeling. Het beperkt mensen in hun mogelijkheden deel te nemen aan het maatschappelijke verkeer. Op termijn kan dat de sociale samenhang in Europa ernstig onder druk zetten, zeker wanneer de scheiding tussen mensen die wel aan de zich vernieuwende economie deelnemen en zij die dat niet kunnen, van generatie op generatie blijft bestaan. Uit sociaal oogpunt is het onaanvaardbaar dat mensen langs de kant blijven staan. Uit economisch oogpunt is het onaanvaardbaar hun talent ongebruikt te laten.

Europa zal een serieuze krachtsinspanning moeten leveren om zijn aantrekkelijkheid als economische regio te bestendigen. Het zal vooral zijn groei- en vernieuwingsvermogen moeten verbeteren. De ontwikkeling van kennis en economisch-technologische vernieuwing en het moderniseren van sociaal beleid zijn daarvoor cruciale ingrediënten.

Investeren in menselijk kapitaal is van essentieel belang voor het verwezenlijken van de Europese ambities. Het onderwijs moet mensen voorzien van de kennis en vaardigheden waarmee ze zich een goede positie op de arbeidsmarkt kunnen verwerven. Vaardigheden op het gebied van informatie- en communicatietechnologie zijn onontbeerlijk. Mensen zullen al op jonge leeftijd vertrouwd moeten raken met computer en Internet. Scholen moeten daarom toegang tot Internet hebben. In Nederland is de minister van Onderwijs dan ook bezig met het uitrusten van scholen met het Kennisnet, dat ook onbeperkt toegang heeft tot Internet. Maar ook het gebruik van computers en Internet door kinderen thuis moet sterk worden bevorderd. De financiële drempel voor het Internet-gebruik moet omlaag. Nederlandse ervaringen leren dat verdere liberalisering van markten voor telecommunicatie daar een grote bijdrage aan kan leveren.

In een wereld van snelle technologische ontwikkeling zullen mensen in de loop van hun arbeidzame leven hun kennis en vaardigheden, hun competenties, op peil moeten houden of moeten uitbreiden. Dit vraagt om een leven lang leren. Mensen die buiten het arbeidsproces raken, moeten door de moderne, activerende welvaartsstaat in staat worden gesteld en uitgedaagd die kennis en vaardigheden te verwerven die nodig zijn om de arbeidsmarkt weer met succes te kunnen betreden.

Deelneming aan en betrokkenheid bij de kennissamenleving eist dat burgers en bedrijven toegang hebben tot Internet. Dit hoogwaardige elektronische communicatienetwerk kan worden beschouwd als het bloedvatenstelsel van de kennissamenleving, met informatie als bouwstoffen, die het netwerk verspreidt. Wie niet (goed) is aangesloten, blijft verstoken van informatie die essentieel is om in de kennissamenleving te participeren.

Het is zorgelijk dat Europeanen veel minder gebruik maken van Internet dan Amerikanen. Europa nam in 1999 ongeveer 17 procent van de elektronische wereldhandel voor zijn rekening. Voor de VS was dat bijna vier keer zo veel - 67 procent. Het kabinet spant zich in om nationale belemmeringen voor ontwikkelingen op het gebied van informatietechnologie (IT) weg te nemen. Maar IT-ontwikkelingen zijn bij uitstek internationaal en vragen dan ook een internationaal antwoord. De kloof tussen de VS en de EU in IT-gebruik komt deels doordat de EU geen eenduidig juridisch raamwerk heeft, waarbinnen zaken als veiligheid, privacy, aansprakelijkheid, fiscaliteit, auteursrechten en intellectueel eigendom goed zijn geregeld. De Europese top zou daarvoor een flinke aanzet moeten geven. Zo'n kader moet tot de topprioriteiten van de EU behoren, al was het maar om de goede vooruitzichten van Europa in de mobiele communicatie en handel te kunnen waarmaken. De voorsprong die Europa op dit gebied heeft, is vooral te danken aan een vroeg akkoord over een eenduidige technische standaard (GSM). Deze moet worden gehandhaafd en uitgebouwd, zeker nu de derde generatie mobiele communicatietechnologie voor de deur staat, die toegang biedt tot Internet.

Europa zal ook een serieuze inspanning moeten leveren om het innovatieklimaat te verbeteren. Belangrijk is het dichten van de kloof tussen onderzoeken en ondernemen. Hiervoor is een bedrijfsleven nodig dat zich interesseert voor en participeert in onderzoek met een langere tijdshorizon. Bovendien moeten publieke onderzoeksinstellingen meer oog krijgen voor de kennisbehoeften in samenleving en economie.

Bedrijven moeten hun innovaties ook op de markt kunnen zetten. Europa heeft hier een gunstige uitgangspositie: in termen van het aantal consumenten heeft het een grotere thuismarkt dan de VS. De EU-markt blijkt echter zeer gefragmenteerd. Zo zorgen nationale vestigingseisen en verschillen in technische standaarden ervoor dat Europa de schaalvoordelen niet kan benutten.

Verdere integratie en liberalisatie van de interne markt vormen een absolute voorwaarde voor een verbeterd groeivermogen van de Europese economie. Blijven deze uit, dan laat Europa te veel kansen op groei en vernieuwing onbenut. Nationale vestigingseisen moeten daarom worden verlaagd en administratieve lasten verminderd.

Modernisering van het Europese sociale beleid is nodig om in te spelen op de steeds snellere veranderende economische omgeving. De vernieuwing in de kenniseconomie, die gepaard gaat met een grotere dynamiek op de arbeidsmarkt, moet worden gecombineerd met sociale bescherming. Zo gaan competenties niet verloren en wordt menselijk kapitaal niet vernietigd. Europa heeft grote ambities. Om die te realiseren zal het zijn groei- en vernieuwingsvermogen moeten versterken. De top in Lissabon moet daar een flinke impuls aan geven.

W. Kok en A. Jorritsma-Lebbink zijn respectievelijk premier en minister van Economische Zaken.