Veramerikaanste holocaust

De Amerikanen van de generatie-Roosevelt liepen niet warm voor de Tweede Wereldoorlog, zelfs de joodse gemeenschap in de Verenigde Staten niet, zoals de joodse immigranten uit Europa tot hun verdriet zouden ondervinden. Vorige week heb ik op dit punt al een parallel getrokken met de ervaring van de Nederlandse joden die na de bevrijding uit de deportatie terugkeerden. Voor de Amerikanen was de oorlog in de eerste plaats een conflict tussen Engeland en Duitsland, waar zij niets mee te maken hadden. Zelfs na `Pearl Harbor', dat de Verenigde Staten in de oorlog betrok, bleef die mentale onverschilligheid onder de Amerikanen bestaan. De oorlog speelde zich zo ver van hun bed af dat ze ervan overtuigd waren zelf geen enkel gevaar te lopen. Ze hadden ook niet het flauwste benul van wat Hitler-Duitsland de joden in de concentratiekampen aandeed.

De Amerikaanse historicus Peter Novick van de Universiteit van Chicago wijst er in zijn nieuwste studie over de holocaust in de Amerikaanse literatuur op dat het hele drama met al zijn rampzalige gevolgen voor de mensheid in de oorlogsjaren zelf goeddeels aan de Amerikaanse publieke opinie voorbijging. De oorlog was een Europese aangelegenheid, die in de VS geen voorpaginanieuws was. Het eerste nieuws over joden die dagelijks bij honderden en duizenden in afgelegen delen van Oost-Europa in Duitse kampen werden vermoord, werd weggedrukt tussen andere, meer zichtbare incidenten en rampen.

Professor Novick ontdekte in zijn reconstructie van de berichtgeving over de oorlog dat het nieuws over de vernietigingskampen stelselmatig naar de achterpagina's van de Amerikaanse kranten werd verbannen. Novick gelooft niet dat het de Europese joden veel geholpen zou hebben als de wereld van de genocide op de hoogte zou zijn geweest. Wel houdt hij de stiefmoederlijke bedeling van het nieuws over Treblinka e.t.q. in de Amerikaanse pers verantwoordelijk voor de traagheid en de dadenloosheid van de Amerikaanse regering voor de humanitaire ramp die zich in de kampen voltrok.

Die combinatie van collectieve ongeïnteresseerdheid en ongevoeligheid voor de historie zou tot in de jaren zestig doorwerken. De arrestatie en de vernuftige kidnapping van Eichmann door de Israelische veiligheidsdienst brachten in een deel van de Amerikaanse pers nog antisemitische reacties naar boven, maar de berechting in Jeruzalem leverde het onomstotelijk bewijs dat de nazi's het jodendom hadden willen uitroeien. De propaganda die de Arabische buurlanden van Israel tijdens de Zesdaagse Oorlog in 1967 en de Yom Kippuroorlog in 1973 voerden, lieten er geen twijfel over bestaan dat de nazi's school gemaakt hadden in het Midden-Oosten. Israel moest met de grond gelijk gemaakt worden en alle joden zouden de zee in gedreven worden. Sinds die oorlogen drong het, volgens Novick, voor het eerst tot de joodse gemeenschap in de Verenigde Staten door dat de holocaust meer was geweest dan een historisch incident. Sindsdien werd de holocaust voor de joodse Amerikanen het embleem van de kwetsbaarheid van het jodendom in het algemeen en van de staat Israel in het bijzonder. De Amerikaanse joden begonnen grote geldinzamelingsacties voor Israel en verhoogden gelijktijdig de druk op de Amerikaanse regering om haar veiligheidsgaranties voor Israel uit te breiden.

Dat `embleem', ontdekte Novick, zou ook het Amerikaanse jodendom zelf nuttige diensten bewijzen. In de jaren zeventig werd joods Amerika als gevolg van secularisatie en gemengd huwen geleidelijk bedreigd door culturele desintegratie. De joodse organisaties, die zich het hoofd braken over een remedie tegen die ontwikkeling, grepen zich vast aan de geschiedenis. Ze moest het nieuwe verenigingspunt worden om de teruggang te keren. De holocaust, aldus Novick, was oncontroversieel genoeg om als basis te dienen voor een nieuwe collectieve joodse identiteit. Vooraanstaande woordvoerders ontdekten het potentieel van de holocaust als `moreel kapitaal' en als `collectief geheugen' dat de hele joodse gemeenschap opnieuw zou kunnen verenigen. Novick beschrijft de verschillende stadia die deze heroriëntatie op de geschiedenis sinds 1970 heeft doorlopen. Na de aanvankelijke onverschilligheid en bagatellisering onderscheidt hij de fase van de heiligverklaring (een joods oorlogsslachtoffer is een heilige), de massale holocaust-verering (waaraan tal van Amerikaanse musea zich volgens hem schuldig maken), de popularisering (van elke overlevende moet een film gemaakt worden), de banalisering (de productie van kitsch) en de monopolisering van het slachtofferschap (`alleen wij hebben geleden'). Novick moet niets hebben van joodse organisaties of lobbyisten die de term genocide onder een wettelijk joods patent zouden willen brengen en bijvoorbeeld de Armeniërs het gebruik van de uitdrukking voor hun lot in de geschiedenis misgunnen. Hij steekt ongenadig de draak met dat monopolisme en geeft voorbeelden van andere ontaardingsverschijnselen die je door merg en been gaan en zijn cynische toon ook wel begrijpelijk maken.

Een bizar voorbeeld van verkeerd begrepen, door propaganda misvormde geschiedenis leveren de jaarlijkse pelgrimstochten die duizenden Amerikaans-joodse middelbare scholieren in groepsverband naar Polen maken om daar de plaatsen van de vroegere concentratiekampen te bezoeken. Volgens Novick zijn die scholieren het slachtoffer van de bedenkelijkste historische voorlichting en laten ze zich door hun (Amerikaanse) gidsen wijsmaken dat de Polen die in de omgeving van de vroegere kampen wonen (dus de hedendaagse Polen) net zo gevaarlijk zijn als de Duitsers van Hitler en de joden elk ogenblik weer in de kampen kunnen opsluiten.

Zo reist de geschiedenis als de veramerikaanste versie van de holocaust naar Europa terug.