Van oude dingen

Grand Popo, aan de kust. Er zat daar een man op een auto. De wagen, een Citroën uit de jaren vijftig, was in verregaande staat van ontbinding. De banden waren verteerd, lampen en ruiten waren al lang geleden verwijderd en binnen staken roestige veren door de bekleding. De man zat op het dak, zijn blote voeten op de bovenkant van het kofferdeksel. Hij had een elleboog op zijn knie geplaatst en zijn kin steunde op de palm van zijn hand. Hij was fijn niets aan het doen. Omdat ik een vriend heb die alles verzamelt over dit type auto, besloot ik een foto te maken. Ik vond die man op het dak wel passend. Bedaard nam hij me op, terwijl ik mijn toestel instelde. Na de klik kwam hij overeind en sprong met onverwachte lenigheid op de grond. Zijn lach werd breder, naarmate hij mij naderde.

Mais c'est joli, votre appareil de photo.

Hij legde zijn hand even in de mijne zonder die echt te drukken. Ik antwoordde dat het een oud beestje was, maar dat hij het nog goed deed. Hij knikte geestdriftig. Dat had hij nu altijd al geweten. Oude dingen voldeden vaak het best. Hij gebaarde wijds naar achteren. Comme elle. Hij zelf zat nu hier eens, dan weer daar, maar het liefst zat hij toch op de dak van la vieille.

Vous êtes content avec le photo?

Ik knikte.

Vous voulez me donner un peu de monnaie?

Uit een zweterig bundeltje in mijn broekzak trok een een bankbiljet en gaf hem dat. Hij lachte vrolijk, noemde mij bij het afscheid frère en verdween door een poort.

Als vanzelf buitelden de herinneringen mijn geest binnen. Het eiland waar ik opgroeide, was ook toen beroemd om zijn klederdracht en trok elk jaar tienduizenden toeristen. Mijn speelkameraadjes liepen allemaal nog in klederdracht. Jongetjes met lang haar en rokken. Ik zelf was import, hoorde bij de langbroeken en heb, met uitzondering van die ene keer dat het mijn moeder leuk leek me zo eens laten portretteren, nooit klederdracht gedragen. Mijn vrienden werden elke dag gekiekt. Iemand die onze taal niet sprak, dirigeerde hen dan met zijn camera voor een mooie achtergrond óf naast zijn eigen kroost. Als hij de camera eenmaal ingesteld had en door de zoeker keek, stond daar altijd een ventje extra, een kop groter dan de anderen en niet op fijn beschilderde klompjes maar met grote rubberlaarzen. Ik keek zo vriendelijk mogelijk in de lens, maar kon niet altijd voorkomen dat een hand op mijn schouder neerdaalde om me zachtjes opzij te duwen, wat ik steevast als een laatste aanwijzing voor de mise-en-scène opvatte. Als ik mij dan aan de andere kant van mijn vriendjes posteerde, was een zorgvuldige timing geboden. Want was de fotograaf maar eenmaal weer op één knie gezakt, als hij mij weer in zijn compositie gewaar werd, dan werd ik meestal wel met rust gelaten. Bij een volhouder speelde ik de autist. Het ons na afloop in handen gedrukte kleingeld, een dubbeltje of, bij Amerikanen, een kwartje, werd meteen na de sessie aan snoep besteed bij de kraam die op diezelfde foto's op de achtergrond te zien is. Van Hammerfest tot Kaapstad, van Osaka tot Salt Lake City moet ik zo op heel wat dia-avondjes monter en in blijde verwachting de huiskamer ingekeken hebben.

Nice picture, Bill! Say, who's the boy on the right?

Hell, I dunno... damned kid wouldn't move.

Nu begin ik te rekenen. Hoeveel had ik hem daarnet gegeven? Het schaamrood stijgt me naar de kaken als ik becijfer dat het biljet nog geen kwartje waard was. Een kwartje, dat kreeg ik vijfendertig jaar geleden zo, zonder te praten. En die man..., die had helemaal niks aan zijn voeten gehad.

Achter me toetert de taxi die me hier gebracht heeft. Voor een piek. Een taxi voor een piek, nou ja, die had je bij ons weer niet. Toen al niet.