Toekomst Taiwan ligt in harmonie met China

Het enige scenario voor duurzame vrede tussen China en Taiwan is het geleidelijk naar elkaar toegroeien van de politieke culturen en systemen, vindt Willem van Kemenade.

Met de verkiezing van de kandidaat van de Democratisch Progressieve Partij, Chen Shui-bian, tot nieuwe president van Taiwan heeft het electoraat twee vliegen in een klap geslagen. Het heeft een einde gemaakt aan de 55-jarige alleenheerschappij van de Nationalistische Partij, de Kwomintang, op het eiland. Verder hebben de Taiwanese kiezers de nog standhoudende communistische alleenheersers op het Chinese vasteland duidelijk gemaakt dat hoe harder zij schreeuwen en dreigen, de Taiwanezen juist die kandidaat zullen kiezen die zich het meest resoluut tegenover Peking opstelt.

De belangrijkste kwestie voor de kiezers was het verval en de corruptie van de Kwomintang, die Taiwan decennialang als een partijstaat bestuurd heeft. Dat gebeurde met een zakenimperium van miljarden dollars, eigendom van een aantal televisiestations, donaties van de onderwereld in ruil voor zetels in vertegenwoordigende organen, het kopen van stemmen, insider trading en systematische knoeierij met overheidsaanbestedingen. Chen was de enigepresidentskandidaat die, gezien zijn staat van dienst als burgemeester van de hoofdstad Taipei van 1994-1998, geloofwaardigheid heeft om op dit gebied sanering en politieke moraal te brengen.

De andere topprioriteit, beleid tegenover het Chinese vasteland, was Chens achillespees. Hij komt uit de traditie van autochtoon Taiwanees verzet tegen het bloedige, repressieve regime van Chiang Kai-shek en zijn zoon (1945-1988). Chen begon zijn politieke carrière in 1980 als briljante en moedige 29-jarige verdediger van Taiwans acht beroemdste politieke gevangenen, de `acht van Kaohsiung', die nu de kern van Taiwans nieuwe politieke elite vormen. Sinds de Kwomintang politiek pluralisme en burgerlijke vrijheden heeft geïntroduceerd, heeft Chen zich ontpopt tot de felste strijder tegen mogelijke hernieuwde dominatie van Taiwan door een andere dictatuur uit het Chinese vasteland, de communisten. Op 20 december 1999 riep hij nog `Lang leve Taiwanese onafhankelijkheid' en bepleitte hij een grondwetsherziening en een referendum die Taiwans historische en constitutionele banden met het Chinese vasteland moesten beëindigen.

Sindsdien is Chen ervan overtuigd geraakt dat de leider van een oppositiebeweging zich dat wel kan permitteren, maar niet een gerijpt politicus die het presidentschap van een de facto staat van 22 miljoen inwoners met een mondiaal opererende, technologisch hoogontwikkelde economie, binnen zijn bereik heeft. Hij is dan ook gaan terugkrabbelen. Eind januari zei hij dat Taiwan de onafhankelijkheid niet meer hoeft uit te roepen omdat het al onafhankelijk is en dat hij alleen tot een onafhankelijkheidsverklaring zal overgaan na een Chinese aanval. Sindsdien heeft Chen `normalisering' van de betrekkingen tussen beide zijden van de Straat van Taiwan bepleit, dat wil zeggen rechtstreekse handel, lucht- en scheepvaartverbindingen, waartoe de Kwomintang-regering om redenen van nationale veiligheid niet bereid is geweest.

Zijn meesterzet deed Chen een week voor de verkiezingen, toen de president van de Nationale Academie van Wetenschappen (Academia Sinica), Nobelprijs-winnaar Lee Yuan-tseh, er akkoord mee ging Chens topadviseur te worden. Inmiddels is Lee gevraagd voor premier, een aanbod waarover hij zich beraadt. Hij zal in elk geval een hoofdrol spelen in de relaties met het vasteland, waar hij vele keren als wetenschapper is geweest en waar hij even alom gerespecteerd wordt als in Taiwan.

Lee Yuan-tseh zei vorige week tegenover het Japanse persbureau Kyodo dat hij niet kan meewerken aan stappen (van Chen Shui-bian) die China schofferen. Hij zei dat de aftredende president Lee Teng-hui keer op keer China beledigd heeft, deels wegens zijn Japanse koloniale opvoeding, deels wegens de erfenis van de Chinese burgeroorlog. Lee Yan-tseh vertrouwt erop dat Chen Shui-bian flexibeler tegenover China kan zijn dan Lee Teng-hui omdat hij van een jongere generatie is, die niet de baggage van de Japanse koloniale tijd in Taiwan (1895-1945) en de Chinese burgeroorlog met zich meedraagt.

Lee Yuan-tseh herdefinieerde Taiwans onafhankelijkheidspsychologie en zei dat die haar wortels had in een halve eeuw Japanse koloniale overheersing en decennia politieke onderdrukking door de Kwomintang. ,,Onafhankelijkheid betekent voor de Taiwanezen dat zij niet getiranniseerd en onderdrukt wensen te worden,'' aldus Lee, zelf een autochtone eilander. China heeft ook een getraumatiseerde nationale psyche. Lee zei dat China evenzeer wegens zijn geschiedenis van Westerse kolonisering en Japanse invasies nooit een buitenlandse, lees: Amerikaanse, rol in de Chinees-Taiwanese betrekkingen zou dulden. ,,Wij mogen absoluut niet toestaan dat Taiwan misbruikt wordt door buitenlandse machten met het doel om China of het Chinese volk aan te vallen,'' aldus Lee.

Met inachtneming van deze twee overwegingen en een maximum aan tact en terughoudendheid zou een nieuwe dialoog tussen beide delen van China een goede nieuwe start kunnen maken. Chen Shui-bian is een in 1951 geboren pure Taiwanees uit het zuiden van het eiland, waar nauwelijks emigranten van het vasteland wonen. Hij heeft geen Japanse en Amerikaanse invloeden ondergaan. In tegenstelling tot de meeste jongere Kwomintang-functionarissen heeft hij niet in Amerika gestudeerd en spreekt nauwelijks Engels. De Nixon-analogie, luidend dat alleen een Amerikaans president met een hard line anti-communistisch verleden de historische opening naar China in 1972 kon maken om het thuisfront gerust te stellen, wordt nu voor Chen gebruikt. Wegens zijn staat van dienst als activist voor onafhankelijkheid zou alleen hij de publieke opinie in Taiwan voor een controversieel compromis met China kunnen winnen.

Soepel zullen de contacten zeker niet op gang komen. Chen heeft gisteren een boodschap laten uitgaan dat het voor Peking alles dominerende `één-China-principe' wel een onderhandelskwestie mag zijn, maar geen voorwaarde vooraf. Chen eist verder de status van gelijkheid voor Taiwan, iets wat voor China tot dusver anathema is geweest, omdat dat neerkomt op erkenning van Taiwan als een aparte staat. Chen is bereid nog voor zijn inauguratie in mei naar Peking te reizen, maar in welke hoedanigheid? In het verleden heeft China een cosmetische concessie aangeboden om president Lee Teng-hui als gelijkwaardige te ontvangen, namelijk niet als president maar als voorzitter van de Kwomintang. Jiang Zemin zou dan ook niet als president van China aantreden, maar als secretaris-generaal van de Communistische Partij. Het is nooit zover gekomen. Als China erop aandringt dat Chen alleen ontvangen kan worden als leider van een politieke partij, die regerende partij wordt in een lokale minderheidsregering, is er weinig hoop op een ontmoeting. Zal China nu weer net zo lang dreigen tot het gunstige getij verloopt, of met nieuwe ideeën komen of die aanvaarden?

De geladen geschiedenis van het `één-China-principe" is niet geheel ontmoedigend. China en Taiwan kwamen begin jaren negentig overeen dat elk er zijn eigen interpretatie van het principe op na mocht houden. Aldus geschiedde. De Chinese versie was dat `één China' ipso facto de volksrepubliek betekent, waarvan Taiwan een provincie is; de Taiwanese versie was een historisch en toekomstig China dat eens weer zal bestaan zodra de volksrepubliek democratisch wordt en waarmee democratisch Taiwan zich dan kan herenigen. Dit compromis werd na de crisis van 1996 opgeschort. Niettemin herformuleerde de Chinese toponderhandelaar Wang Daohan tijdens de korte dooi in 1998 `één China' als ,,een nieuw China dat het vasteland en Taiwan samen zullen bouwen''. Na de afkondiging van de `twee staten-theorie' door Lee Teng-hui in juli vorig jaar herriep China het compromis geheel en eiste dat Taiwan eerst China's interpretatie van het `één-China-principe' moest aanvaarden voordat de dialoog hervat kon worden.

Wat in deze kritieke overgangsperiode geboden is zijn vertrouwenwekkende maatregelen en geen ultimata en dreigementen. Waarschijnlijk dit jaar zullen China en Taiwan beiden lid van de Wereld Handels Organisatie (WTO) worden en dit zou de meest aangewezen gelegenheid zijn rechtstreekse handel, lucht- en scheepvaartverbindingen te beginnen. Dit zou zo'n winst voor de beide economieën kunnen opleveren dat beide partijen wellicht bereid zijn politieke geschillen voor onbepaalde tijd op een laag pitje te zetten. China zou zijn dreigementen met militaire actie voor een interimperiode op moeten schorten en Taiwan zou zijn aanspraken op soevereiniteit en lidmaatschap van de Verenigde Naties een tijdje binnenskamers moeten houden, geen nieuwe wapens kopen in de VS en eveneens geen nieuwe diplomatieke erkenningen door verpauperde Derde-wereldlanden kopen.

Als positieve ontwikkelingen en goodwill zich over een periode van pakweg twee jaar kunnen consolideren en er geen nieuwe interne crises in China komen, zou er wellicht tijdens het zestiende partijcongres in 2002 een nieuwe, langverwachte golf van politieke hervormingen en liberalisering in China kunnen aanbreken. China zal niet op korte termijn een democratie worden, maar als er maar een paar stappen in die richting worden gemaakt en het land zich gematigder en milder gedraagt, intern en extern, zal dat het verzet in Taiwan tegen uiteindelijke hereniging, integratie of unievorming Europese stijl verminderen. De toekomst van Taiwan ligt in harmonie met China, niet in een onofficieel, dubieus Amerikaans protectoraat, dat misschien nog hooguit tien jaar houdbaar is.

Voor die tijd zal China waarschijnlijk geen militaire actie op grote schaal ondernemen, maar garanties zijn er niet. De Chinezen mikken op het element van verrassing en onconventionele methodes om de Amerikanen van militaire interventie te weerhouden. Generaal Mi Zhenyu, een leidende militaire theoreticus gaf tijdens de recente Raadgevende Politieke Volksconferentie toe dat China's vloot en luchtmacht twintig jaar achter liggen op die van hoogontwikkelde landen: ,,Wij betwijfelen inderdaad of wij de VS kunnen verslaan, maar we kunnen ze wel verlammen. [...] De VS beschouwen de dood van een paar man militair personeel als iets vreselijks. Wij zullen altijd methodes vinden waarbij enige Amerikanen het leven zullen laten.''

Willem van Kemenade is China-deskundige.