Strauss voorspelt laatste menseneeuw

Het pièce de résistance in de nieuwe Revisor is een voorbeeldig interview met Thomas Rosenboom naar aanleiding van diens roman Publieke werken, een grote kanshebber voor de Libris Literatuurprijs.

Voorbeeldig is het interview omdat de erudiete, goed ingevoerde ondervrager op de achtergrond blijft, maar er intussen wel voor zorgt dat je alles wat je wilt weten over de schrijver Rosenboom ook te weten komt. Bijvoorbeeld dat hij, ondanks de schijn van het tegendeel, niet uit een filosofisch gedachtengoed put maar uit `primaire leeservaringen', die hij als kind had. `De inspiratie uit de literatuur put ik dan ook minder uit de inhoud dan uit de vorm, en dan met name uit de kracht van de intrige die ik voor het eerst heb ervaren in de jongensboeken die ik toen las.' Niettemin is het de ontdekking van de stijl geweest – waar hij bij die jongensboeken helemaal niet op lette – waaraan deze schrijver zijn gevoel voor literatuur te danken heeft. Rosenboom blijkt een voorkeur te hebben voor een `mannelijke stijl', zoals de romanstijl van het expressionisme: geserreerd, lapidair, krachtig. `De lezer', zegt hij, `moet in eenzelfde spanning verkeren als die ik had tijdens het schrijven. Soms moeten de scènes gejaagd en nerveus zijn, dan weer rustig en gecontroleerd.'

Rosenboom schrijft historische romans maar, zo beantwoordt hij een vraag van de interviewer, hij heeft niet de pretentie het genre van de historische roman te vernieuwen. Hij weet zelfs niet helemaal zeker of zijn boeken wel historische romans zijn.

Interessant is dat Rosenboom uitvoerig ingaat op het schrijven zelf, datgene wat gebeurt gedurende het scheppingsproces. Tijdens het herschrijven van zijn tekst, vertelt hij, wordt langzaam een motievenpatroon zichtbaar waarvan hij pas achteraf kan zeggen dat het een thema is dat hem obsedeert. `Die paradox, waarin het zuivere door het troebele wordt bereikt, waarin mijn helden het mannelijke zoeken maar op hun vrouwelijkheid stuiten, is op een of andere manier een constante in mijn werk.'

De enige smet op dit vraaggesprek is, dat het is afgenomen door Anthony Mertens, tevens uitgever van Rosenboom, wat een vreemde vermenging is van functies. Maar hij stelt wel een intrigerende laatste vraag, namelijk waarom de belangrijke personages van Rosenboom kinderloos zijn. Het antwoord luidt: `Mijn helden proberen hun onvruchtbaarheid te overwinnen in hun handelen. Een handelen dat aan hun eigen ambities tegemoetkomt. De opvoeding van kinderen zou hun streven naar zelfvergroting onnodig maken. Als ik vier kinderen had zou mijn ambitie om romans te schrijven ook onvermijdelijk minder verterend zijn.'

Duister maar erg prikkelend is een cultuurcritisch opstel van Botho Strauss (`Tijd zonder voorboden'), gericht tegen de de snelle, steriele communicatiemogelijkeheden zoals internet, die geen ruimte bieden voor zelfreflectie, contemplatie, inhoudelijke kennis. Strauss voorziet een `tijdperk van de trance', een stelling die hij adstrueert in de vorm van een reeks verontrustende aforismen. `In de kennissamenleving zal geen anti-type in de trant van de `kritische intellectueel' meer ontstaan. De informatietechnoloog en de ...? Welke gelijkwaardige tegenhanger kunnen we ons daarbij nog voorstellen?' Strauss schreef dit stuk in 1999, als een afscheid van de twintigste eeuw, die hij `laatste eeuw van de mens' noemt. `Wat volgt behoort toe aan de erfgenamen van de mens. Zekere uitvoerende organen.'

Deze toekomstvisie komt sterk overeen met die van Michel Houellebecq in zijn roman Elementaire deeltjes. De vertaler van dit boek, Martin de Haan, schrijft in deze Revisor een verdediging van de Franse auteur onder de kop `Michel Houellebecq is wel degelijk een stilist' en levert er en passant een gedegen analyse van Elementaire deeltjes bij. Onder nog veel meer moois in dit nummer heb ik genoten van Wessel te Gussinklo's polemische bijdrage `Lulkwadraat' waarin hij Herman Brusselmans en diens verdedigers met goede argumenten de grond inboort. Dat Brusselmans' boek in België verboden is, vindt hij `niet geheel juist' en `teveel eer'. Veel erger acht hij het echter dat door toedoen van Brusselmans' literatuur iets wordt dat niemand meer serieus neemt. Of, om met Strauss te spreken: `De kunsten die verhalen van het vuilnis van de wereld vermeerderen dat vuilnis alleen maar.'

De Revisor nr 1, februari 2000. Uitg. Querido, prijs ƒ24,-.