Schrik

Hoe dat brein van Freek de Jonge werkt, daar snap ik nu echt niets van. Hij was grappig en scherp op het boekenbal, hij spaarde zichzelf niet en hoewel we van excuses oververzadigd dreigen te raken waren ze in dit geval overtuigend.

Hij zei in zijn voorstelling dat hij spijt had dat hij in 1987 de opvoeringen van Fassbinders stuk Het vuilnis, de stad en de dood had verhinderd. Door zich mee te laten slepen door vriend Croiset en door kunstbroeder Mulisch, die gezegd had dat Fassbinder terecht zelfmoord had gepleegd, had hij verraad aan de kunst gepleegd.

Heeft dat Mulisch dat echt gezegd in 1987? Zoals een andere kunstbroeder eens zei, er is sindsdien veel gebeurd, onder meer met mijn geheugen. Het klinkt wel naar Mulisch, moet ik zeggen. Terecht zelfmoord gepleegd, terecht onder de tram geraakt, `objectief terecht' in een kamp gestopt, in het veen van zijn schrijverscollega's heeft Mulisch zelden op een turfje gekeken.

Freek eindigde met een eerbetoon aan Fassbinder, die volgens hem de kunst op het scherp van de snede had beoefend. Gesticht kwamen we de zaal uit, opgewekt hieven we het glas. Er was mooi en geestig gesproken.

Maar wie schetst mijn verbazing (ik natuurlijk, maar in verbijstering grijpt men naar het cliché) toen ik twee dagen later de column van Freek de Jonge in Het Parool las. Net had hij uitvoerig spijt betuigd over zijn actie van 1987 of hij begon weer opnieuw.

Johan Doesburg, de regisseur van 1987, had aangekondigd om opnieuw het toneelstuk van Fassbinder op het programma te zetten. Wel wat laat, nadat iedereen zijn relletje al gehad heeft, hoonde Freek, die daarmee liet zien dat voor hem de wereld begint op het moment dat hijzelf een programma bedenkt, want Doesburg had zijn plan vorig jaar al opgeschreven.

Freek ging verder: ,,Fassbinders stuk, geen meesterwerk, is inmiddels salonfähig geworden. Het stuk wordt in Jeruzalem gespeeld door leerlingen van een chique toneelschool.''

Reden te meer om het hier ook eens te proberen, zou ik zeggen. Vreemd verwijt ook aan het adres van Doesburg, die het stuk al wilde spelen toen het nog niet salonfähig was.

Het valt met die salonfähigkeit overigens nogal mee. Vorig jaar wilde het gezelschap Maxim Gorki in Berlijn het stuk spelen, maar dat werd door protesten verhinderd. Men bedacht een list en nodigde een vermaard Israelisch gezelschap uit dat het stuk in Tel Aviv speelde (zou dat die chique toneelschool uit Jeruzalem zijn waar Freek het over had?) om het ook in Berlijn op te voeren. In het Hebreeuws, voor alle zekerheid. Maar ook dat ging niet door.

Freek daarentegen was niet te stuiten: ,,Met subsidiegeld dreigen dus de persoonlijke rancunes van een gefrustreerde toneelmaker gefinancierd te worden. Het Grote Toneel komt daarmee in de hobbyhoek terecht.''

Met subsidiegeld maar liefst, is het niet ongehoord?

Het treurigst is niet eens die versleten demagogie over `onze centen', maar het gebruik van het woord `gefrustreerd'. Stel dat het waar is wat hij schreef, dat Doesburg gefrustreerd zou zijn, waardoor is die dat dan? Door de culturele hooligans die in 1987 zijn voorstellingen verhinderden. Dan past het zo'n hooligan slecht om nu over die frustratie triomfantelijk te honen.

Wij volgen Freek verder, tot het eind van zijn column: ,,Dit opportunisme moet je niet verbieden, dat moet je negeren.''

Nee, niet meer verbieden, zoals hij in 1987 wilde, want daar had hij op het boekenbal nou net zijn excuses voor aangeboden. Negeren deze keer, dat mag toch wel? Alsof een oproep tot negeren op de voorpagina van een grote krant hetzelfde zou zijn als negeren. Freek speelde hier wat Karl Kraus de `vermoordende onschuld' noemde.

Geloof me of niet, maar het is eerlijk waar, ik dacht aanvankelijk dat hij deze column niet zelf geschreven kon hebben. Dat er bij Het Parool met hem iets uitgehaald was zoals vele jaren geleden bij onze krant met Remco Campert. Die was tijdens Poetry International zo ontroerd geraakt dat hij er niet toe kon komen om zijn beloofde Hollands Dagboek te schrijven en toen hadden de redacteuren het maar zelf gedaan, onder zijn naam.

De dag na het boekenbal stond er geen column van Freek de Jonge in Het Parool, maar een foto. Begrijpelijk, hij was ook nog ontroerd. De volgende dag stond er die valse column over Doesburg. Het moest wel zo zijn dat de redactie in wanhoop zelf aan de slag was gegaan. Wat moest Freek de Jonge kwaad zijn geweest toen hij het zag! Maar zo was het niet, want heel anders dan indertijd bij Campert hoorden we er niets meer over.

Het was niet de eerste schrik die mij die week was overkomen. Toen ik de ochtend na het boekenbal de deur uitstapte werd ik plotseling priemend aangekeken door Harry Mulisch. Normaal schrik ik helemaal niet van zijn charmante verschijning, maar in de etalage van mijn buurman verwachtte ik hem niet. Het meisje bij de kassa zei dat ze zelf ook was geschrokken toen ze de Mulischpop voor het eerst zag.

In de dagen daarna werd de pop in de boekwinkel iets van zijn schrik ontnomen. Hij werd een beetje gedraaid, zodat hij de voorbijgangers niet meer zo priemend aankeek. Er werd hem een shirtje aangetrokken. Een doek over de kooi deden ze nog net niet.

De Mulischpop leek me een mooi symbool voor de verstening waartoe het lichaam van de Bekende Nederlander onder de lampen van de televisie langzaam overgaat, cel na cel door de jaren heen. Mulisch zelf kent het versteningsproces heel goed. ,,Vroeger, toen ik nog niet zo Harry Mulisch was als nu...'' zei hij laatst in een interview.

Van Rudy Kousbroek had ik gehoord dat hij graag zo'n Mulischpop zou willen hebben, maar die van mijn buurman was al vergeven. Misschien een idee voor het volgende boekenweekgeschenk, een opblaaspop van een geliefd schrijver of schrijfster. Een boekje als geschenk is eigenlijk ouderwets.