Bladeren

BusinessWeek

De helft van de Japanse autoproducenten is voor een deel in handen van buitenlanders. Ford bezit ruim een derde van Mazda, een derde van Nissan is het eigendom van Renault, en General Motors heeft aanzienlijke belangen in Isuzu en Suzuki. DaimlerChrysler en Ford dingen nu naar de hand van Mitsubishi. De strategie achter deze allianties is volgens BusinessWeek de verovering van een bruggenhoofd op de Aziatische markt. Maar de verbintenissen die beklonken zijn, hebben tot dusverre niet die grote voordelen opgeleverd die de betrokken bedrijven ervan verwachtten. En de diverse reddingsplannen hebben tot dusverre nog niet één onderneming gered.

Integendeel, Nissans aandeel op de Japanse markt is dit jaar gedaald van 14,3 tot 13,7 procent. De verkoopcijfers zijn daarmee op hetzelfde niveau als dertig jaar geleden. Isuzu leed vorig jaar een verlies van tweehonderd miljoen dollar. En Mazda moest de winstverwachting voor dit jaar ruim dertig procent verlagen. De reden waarom de Japanse autoproducenten zulke slechte financiële prestaties leveren is dat ze voor de helft afhankelijk zijn van export, terwijl de koers van de yen relatief hoog is. Daar komt bij dat de buitenlandse bondgenoten de Japanners nog steeds niet hebben kunnen overtuigen van de noodzaak tot herstructurering.

Het blad herinnert eraan dat zowel Daimler als Chrysler al affaires met Mitsubishi achter de rug heeft. Die liepen slecht af, omdat Mitsubishi in de praktijk van alledag niet bereid bleek de samenwerking serieus te nemen. Het aanstaande huwelijk kan alleen slagen als Mitsubishi bereid is af te slanken.

www.businessweek.com

The Nikkei Weekly

Het wordt hoog tijd dat de Japanse beleidsmakers afscheid nemen van de vuistregel dat er een recessie is zodra het bruto binnenlands product twee kwartalen achtereen daalt. Want de beleidsmakers hebben dat idee zo uit hun verband gerukt dat ze geen oog hadden en hebben voor andere elementen waaruit een recessie bestaat. Dat had tot gevolg dat de Japanse overheid de recessie van maart 1997 vijftien maanden lang wist te negeren.

Natuurlijk, schrijven Anirvan Banerji en Michael Niemira in The Nikkei Weekly, zijn vuistregels soms handig, bijvoorbeeld om een concept samen te vatten. De auteurs zijn respectievelijk directeur van het Economic Cycle Research Institute in New York en vice-president van het onderzoeksbureau van de Bank of Tokyo in New York. Het geïsoleerde gebruik van de onderhavige vuistregel is niet alleen conceptueel onverantwoord, maar klopt ook niet met de ervaringen. Als je de regel consequent zou toepassen zou de Japanse economie in de periode van 1992 tot 1998 vier recessies hebben gehad. Bovendien zou dan de meest serieuze recessie van het naoorlogse Japan in de jaren zeventig niet als zodanig zijn herkend.

Ondanks alle discussie over de huidige vermeende recessie zit de Japanse economie momenteel in een periode van expansie, gezien de cijfers over productie, inkomens, werkgelegenheid en handel. Daarom is het onverantwoord het beleid te baseren op een vuistregel die zich beperkt tot één gegeven en andere indicatoren buiten beschouwing laat.

www.nni.nikkei.co.jp

The Economist

Het zijn niet alleen de cijfers van Japans bruto binnenlands product die er beroerd uitzien. De banken blijven gebukt gaan onder een last van onafgeloste schulden en ze blijven het lenen beperken, vooral aan kleine bedrijven. De herstructurering van het bedrijfsleven is veel te laat op gang gekomen en veroorzaakt op korte termijn veel ellende. Het aantal bedrijven dat failliet gaat stijgt weer. Vorige maand gingen er vijftig procent meer bankroet dan in februari vorig jaar.

Maar je hoeft geen professor in de economie te zijn om vast te stellen dat de officiële cijfers van de Japanse regering behoorlijk onevenwichtig zijn. Dat komt volgens The Economist omdat de Japanse overheid de economische cijfers baseert op de gegevens van een minieme groep van achtduizend huishoudens. Ook de overheidscijfers over de detailhandel zijn onbetrouwbaar. In ieder geval staat het vast dat de bbp-cijfers het verleden beter weergeven dan het heden, want de huidige cijfers gaan over een periode die al drie maanden voorbij is. Geen wonder dus dat het ministerie van Industrie en Handel eigen cijfers hanteert. Deze zijn niet gebaseerd op de vraag, maar op het aanbod. En daaruit blijkt dat het bruto binnenlands product niet is gekrompen maar gegroeid, met 1,1 procent.

Er zijn nog andere goede redenen om aan te nemen dat dit jaar veel beter zal uitpakken dan het vorige. De voorraden worden aangevuld dankzij een productiviteitsstijging van 2,3 procent in het eerste kwartaal. De investeringen stijgen, blijkens een onderzoek van de Nihon Keizai Shimbun naar het beleid van 1.800 beursgenoteerde ondernemingen. De bedrijven die niet op de beurs staan genoteerd doen het zelfs nog beter. Hun winst steeg in het vierde kwartaal van 1999 met 42 procent vergeleken met dezelfde periode in 1998. Op korte termijn ziet het er dus niet slecht uit. De vraag is alleen of het herstel van blijvende aard is, want veel maatregelen, bijvoorbeeld hervorming van het banksysteem, dreigen vast te lopen.

Toch is financiële deregulering de enige garantie voor de duurzaamheid van het herstel. Want alleen daardoor kan de macht van de keiretsu, traditionele samenwerkingsverbanden van banken en bedrijven, worden beknot. Het gevolg zal zijn dat zwakke bedrijven de bescherming van hun banken verliezen en dat de concurrenten meer kans krijgen, ook die uit het buitenland.

Internet is een andere bedreiging voor de keiretsu, omdat het de klanten de gelegenheid geeft prijzen te vergelijken en zodoende de prijsafspraken van de keiretsu te doorbreken. Op soortgelijke manier kunnen ook de toeleveranciers minder afhankelijk worden van hun grote opdrachtgevers, aan wie ze nu vaak met handen en voeten zijn gebonden.

www.economist.com