Beroepslijst

De stem van de voorzitter klonk timide, ietwat bedremmeld. Hij kuchte en zei: ,,Herman, we mogen je niet opstellen aanstaande zaterdag tegen Die Haghe.'' Ik begreep er geen mallemoer van. ,,Maar ik heb de aanschrijving al dagen in huis. Wat is er gebeurd?'' Het bleek dat de KNVB mij op de beroepslijst had geplaatst – een lijst voor lieden van bedenkelijk allooi, die schaamteloos geld verdienden aan de in wezen toch zo mooie voetbalsport, welke slechts gediend werd door personen met een lelieblanke amateurstatus. Ik meende die te bezitten: altijd netjes de contributie betaald, nooit reis- en verblijfkosten in rekening gebracht en shirtjes, broekjes, kousen en schoenen steeds voor eigen rekening aangeschaft. Loepzuivere amateurs onder elkaar, nietwaar?

Maar daar hadden ze iets op gevonden, daar bij de bond. Waren het geen sportjournalisten, wier schrijfsels tegen betaling in dag- en weekbladen werden geplaatst? U moet begrijpen, dat het gevecht tussen liefhebbers pur sang en realisten, die met hun tijd mee wilden gaan, in volle gang was. Wij schreven het begin van de jaren 50. Het Nederlands elftal verloor met 4-0 van de Noren en met 6-1 van de Zweden. Internationaal was de malaise overduidelijk, nationaal gingen we principeel in de verkeerde richting. Verbijsterd belde ik een paar relaties bij de KNVB. Was er iets aan te doen? Nee. Het lag uitermate gevoelig. Hoewel men zich realiseerde dat de actieve voetbaldagen van Kick Geudeker (PSV en Ajax) voorbij waren en dat ook ing. Ad van Emmenes, destijds de befaamde spurts als linksbuiten van de Duindorpse sportvereniging, tot het verleden behoorden, er waren jongeren die indirect van de sport leefden en die men pijnlijk kon treffen.

Zo kwam ik terecht in het wonderlijke samenraapsel dat het elftal van de Scala Bodega in de Haagse Wagenstraat heette en dat ons opving gelijk het Leger des Heils andersoortige daklozen. Je voetbalde er met Jan Holleman, de vroegere rechtsbuiten van VUC die ooit de honderd meter in 11.6 liep – op voetbalschoenen, op een grasveld. Het was leuk, het was vooral om te lachen, maar het ware was het niet. 's Maandagsmiddags speelden we in een ietwat wilde competitie, soms tegen wrakhout, soms tegen uitstekende voetballers die mij amechtig in het stof deden bijten. Hoe lang het precies duurde weet ik niet meer. Laten we het op een half jaar houden. Toen werd de malle maatregel bijna geruisloos opgeheven. We mochten terug naar de moeder overste, die ons nog even streng bekeek en vervolgens via een bijna onzichtbaar knikje te kennen gaf dat de verloren zoon de vleespotten van Egypte weer mocht opzoeken.