Zeemans reis

Sinds Zeeman werkelijk op reis is gegaan is zijn toon veranderd. Ik heb het over Michael Zeeman, redacteur van de Volkskrant, programmamaker voor de VPRO, alsook onvermoeibaar bestrijder van Rick van der Ploeg, die hij beschuldigde van allochtonisering van cultuur en sociaal-democratisering van de Kunst.

Ik ergerde me aan Zeeman, ik vond hem hooghartig en onaardig, maar nu lees ik zijn essay in Hollands Maandblad, `kunstkritiek en de culturele diversiteit'. Als ik afga op mijn aantekeningen in de marge van het tijdschrift – uitroeptekens, vraagtekens, aanvullingen en associaties – moet ik ruiterlijk toegeven dat ik zijn stuk goed vind, knap zelfs, en gedurfd.

De vraag die Zeeman probeert te beantwoorden is of we in staat zijn om een oordeel uit te spreken over de literatuur uit verre streken. `Wat moeten wij aan met de boeken van schrijvers als R.K. Narayan, V.S. Naipaul en Salman Rushdie, wat moeten we met Abdulrazak Gurnah, Romesh Gunesekera, Arundhati Roy of desnoods Moses Isegawa? Wat lezen we eigenlijk als we hun werken lezen en wat zeggen we werkelijk als we beweren die goed of niet zo goed te vinden?'

Het is een belangwekkende en uiterst lastige vraag, want literatuur = cultuur = context, zoals Zeeman zegt. Als je de context niet kent, als het werkelijke leven van die oorden je vreemd is, als de heimelijke verwijzingen naar heden en verleden je ontgaan, kun je dan nog een belangwekkende beoordeling geven als recensent? Wanneer ben je competent genoeg om iets diepzinnigs of steekhoudends te zeggen over, zeg maar, Salman Rushdie's `De laatste zucht van de Moor'?

Ga die vraag maar eens beantwoorden, en Zeeman probeert het tenminste, al moet hij, op de hem gebruikelijke manier, eerst wat spoken verslaan. In een boze en overbodige uitweiding vertelt hij over de academische stromingen in Amerika die beweren dat je zwart moet zijn om zwarte literatuur te bespreken, en homo om homo-romans te doorgronden. Een verfoeilijke vorm van `cultureel separatisme', stelt Zeeman vast, en terecht, maar hier in Nederland heb ik nooit iemand horen zeggen dat ik competenter zou zijn om het werk van Moses Isegawa, Abdelkader Benali of Hafid Bouazza te bespreken, omdat ik zelf ook immigrant ben.

Maar Zeeman worstelt met een diepere vraag: hoe kunnen we zeggen dat we een boek mooi of lelijk vinden, als we niet tussen de regels kunnen lezen? De wereld is een bibliotheek waarin ieder boek met onzichtbare draden verbonden is met alle andere boeken. `Maar in onze tijd wijken de muren van de bibliotheek die we kenden en blijken zich daarachter nieuwe bibliotheken te bevinden'.

Laat ik dit illustreren. In `De laatste zucht van de Moor' vertelt Rushdie over Nargis en Sunil Dutt die moeder en zoon speelden in het Bombay-epos `Mother India'. In de film doodt de moeder haar zoon, omdat hij slecht is en zij de morele orde handhaaft. Maar misschien ook omdat ze hem begeert en niet kan toestaan dat hij een ander liefheeft.

Deze oedipale relatie vormt het hart van Rushdie's roman en zijn visie op de Indiase cultuur, maar hoe moet de Westerse lezer dit snappen als hij de film in kwestie nooit heeft gezien? En als hij niet weet dat Sunil Dutt later werkelijk trouwde met Nargis, waarop zij aan kanker overleed, o wel verdiende straf der Goden?

Zeeman onderkent dit probleem met een opmerkelijke ontboezeming. Hij is de afgelopen zomer in India geweest en wat blijkt? Dat wat hij in zijn bespreking van Rushdie als schitterende vondsten betitelde, in India afgezaagde clichés bleken te zijn, en andersom. `Ik kan een garderobe aanleggen van het soort boetekleden dat ik moet aantrekken als ik terugkijk op wat ik in de loop der jaren aan vergelijkbare misplaatste onzin schreef en ik vermoed dat iedere toegewijde lezer dat ook kan. Wij zijn incompetente beoordelaars, we hebben hoeveel we ook gelezen, beluisterd of gezien hebben, altijd te weinig gelezen, gehoord of gezien.'

Ik vind deze bekentenis ontroerend en indrukwekkend, zoiets heb ik nog nooit bij een andere recensent gelezen. Maar is Zeeman niet te hard voor zichzelf? Hij eindigt zijn essay met de stelling dat het ware literaire genot balanceert op verrassing en herkenning. Als je alles herkent is het saai, als het alleen maar verrast is het bizar, en dat klinkt prachtig, maar ik wens het te betwisten.

Toen ik in Suriname `Nooit Meer Slapen', `De Avonden' of `Turks Fruit' las, vond ik ze eerder bizar dan saai. De taal was mij vertrouwd, maar de sfeer vond ik vreemd, kil, eenzaam en mistroostig. Daarom vond ik deze boeken juist mooi.

En hoe komt het dat ik niet `Het Stenen Bruidsbed' of `Twee Vrouwen' noem? Omdat ik niets in deze boeken herkende en niets verrassend vond. Ik vond ze eigenlijk niets, ik had er geen enkele mening over en dat is zo gebleven.

Wat ik hiermee wil zeggen? Dat Zeeman onwillekeurig van de literaire beleving afpakt wat niet afgepakt mag worden: intuïtie, ongeïnformeerd plezier, of heftiger: liefde op het eerste gezicht. Dat is het soort liefde waarbij je niets weet van de opvoeding, het karakter of de familie-achtergrond van de ander. Je houdt van de persoon om de lach, de ogen, de stem en de geur. Is dat illegitiem?

Let wel: ik zeg niet dat ik het niet eens ben met Zeeman. Als je goed gedocumenteerd bent, heb je misschien betere gronden om iets mooi of lelijk te vinden. Maar ik vind schoonheid universeel en alomvattend genoeg om haar over te laten aan instinct.

Maakt het feit dat ik `Mother India' wel gezien heb en weet dat moeder en zoon met elkaar trouwden mij dus tot een meer competente lezer van `De Laatste Zucht van de Moor' dan Michael Zeeman? Ik vind van niet. Ik geniet misschien meer van wat er `tussen de regels' staat, maar het gaat in de literatuur in de eerste plaats om de regels zelf. Als die niet deugen, maken de verborgen verwijzingen het boek niet beter.

Is het dan onzinnig dat Zeeman naar India afreist om de literatuur uit dat land beter te ontraadselen? Nee. Hij zal die literatuur nooit helemaal begrijpen, zoals hij bekent, maar het zal van hem wel een aardiger en minder hooghartig mens maken. Zoals is gebleken.