Schedelmeterij

,,Les Hollandais sont une belle race,'' zei de Franse striptekenaar Uderzo vorige week tegen een Nederlandse tv-journaliste. Hij was even in het Leidse Museum van Oudheden dat, net als vertwijfelde leraren klassieke talen wel eens doen, aandacht besteedt aan de stripheld Asterix.

Een mooi ras, trots en recht-door-zee, zo zag de Fransman de Nederlanders: hij zou er best eens een strip aan kunnen wijden. Hij besefte niet dat zijn gehoor, als het hem goed had verstaan, misschien wel diep geschokt zou zijn geweest. Een mooi ras, stel je voor. In Frankrijk is zoiets een gemeenplaats, in Amerika moeten ze hun ras op formulieren invullen, maar in Nederland is het woord een faux pas. In een tijd waarin de media verwoed op zoek zijn naar nationale eigenschappen, naar de gewoonten en verlangens die de natie binden, is bij het spreken over rassen uiterste voorzichtigheid geboden. Daarvoor bestaan goede gronden, en er is natuurlijk niets tegen om dat een beetje te overdrijven.

Maar: het idee dat `wij' in dit land vanouds toch al niet zoveel waarde hechten aan zulke dingen, aan raskenmerken en schedelmeterij, dat is misplaatst. De huidige schroom op dat terrein is een recent verschijnsel.

Nog in de jaren vijftig had je fotoboeken van bekende fotografen over de wederopbouw, vol potige Hollandse dijkenbouwers en frisse blonde kindjes, waarbij de trots op cette belle race in het oog sprong. In de jaren dertig was er al helemaal geen taboe: zo bezit ik het Groot Nederlands Boerenboek, samengesteld door Anne de Vries (met `dialectologische en folkloristische medewerking' van P.J. Meertens, u weet wel, Meneer Beerta) met boerenverhalen uit Nederland, België èn Zuid-Afrika. Daartussen staan foto's die hun antropologische herkomst niet verloochenen. Boerentypes, verweerde koppen, vrouwen in klederdracht. Mooi hoor, maar ook een beetje eng.

Toch was ik niet voorbereid op wat ik onlangs aantrof in een boek van dertig jaar dáárvoor, uit 1907. Het is een bekend, zeldzaam standaardwerk op het gebied van oude boerderijen: Het boerenhuis in Nederland en zijn bewoners van J.H. Gallée. Naast plattegronden, tekeningen en foto's van boerderijen bevat het foto's van mensen, van hun sieraden en van runderen.

De mensen zijn van alle leeftijden en beide seksen, in klederdracht of werkpak, vaak van twee kanten gefotografeerd. De bedoeling is, de verschillen tussen de Nederlandse stammen – Friezen, Saksen, Franken – te illustreren. Daarom worden ook die traditionele sieraden behandeld, en dialecten, deels door de taalkundige Gallée zelf, deels door anderen. De schedelmeter onder de auteurs is Louis Bolk. Hij stelt omstandig vast dat Zeeuwen kortschedelig zijn, Friezen langschedelig, terwijl tellingen hebben uitgewezen dat het percentage blauwogigen per streek varieert van 10 procent tot 40 à 50 procent van de bevolking.

Historici doen de laatste tijd vaak somber over het gemis aan historisch besef, en klagen dat de mensen tegenwoordig hooguit belangstelling hebben voor de tijd van hun opa's en oma's. Maar hoe vreemd en ver weg zelfs die periode al is, blijkt hier. Hier zijn ze, die opa's en oma's, geportretteerd als specimina van hun ras, in profiel en/of en face, met daarbij hun godsdienst en, voor de duidelijkheid, of zij blond of donker zijn. Vast niet met kwade bedoelingen, maar – ja, maar wat eigenlijk? In 1907 was hier toch niets tegen? Waar begint het vlak te hellen, en komt venijnig racisme in zicht?

Niemand die het weet. Wat ik wel weet, is dat ik in dat boek nog extra opschrok van het enige geval waar iemand drie maal was afgebeeld. Een Scheveningse, eerst in haar zondagse klederdracht, dan in werkjak, en vervolgens als dame gekapt en gekleed. De onderzoekers hadden een vissersvrouw voor één keer uitgedost met blouse en opgestoken haar, zoals zij nooit zelf zou hebben gedaan, om te kijken of je haar dan nog als volksvrouw zou herkennen. (Nee natuurlijk.) Haar dàt aan te doen leek mij smakeloos en verkeerd, zelfs volgens de normen van 1907.