Parijs boekt record na record

De effectenbeurs van Parijs, de twee na grootste van Europa, telt sinds de jaren tachtig mee in de financiële wereld. De Franse staat verliest langzaam zijn grip op de beurs, die steeds meer Angelsaksische invloeden toelaat.

Een ,,oude dame'' wordt de Beurs van Parijs wel genoemd. Ze is dan ook van 1303, uitgaande van de vergunning waarover de wisselaars op de Pont-au-Change vanaf dat jaar moesten beschikken. De Parijse effectenhandel kreeg in 1724 het onderkomen aan de Rue Vivienne waar la Bourse zich nog steeds bevindt. Het was Napoleon zelf die, in 1808, de bouw van het Palais de la Bourse verordonneerde.

Het gebouw werd pas twee jaar na de dood van de gewezen keizer, in 1821, voltooid en officieel geopend, al was de reactie van de opdrachtgever op de uitzonderlijk slappe handel in 1813 toen nog niet vergeten: ,,Als de Beurs slecht is, sluit 'm dan!''

Dat advies inspireerde mogelijkerwijs minister van Financiën, Vincent Auriol (de eerste na-oorlogse president van de Republiek) in 1937, toen de Beurs alweer door een dal ging, tot de uitspraak: ,,De Beurs sluit ik, en de speculanten sluit ik op.'' Die hadden, als het aan Auriol gelegen had, tot 1983 vastgezeten, want pas vanaf dat jaar leefde de Beurs van Parijs op en telt ze mee in de financiële wereld.

De Franse staat versoepelt zijn greep op de beurshandel, hoewel de hoekmannen nog altijd een ambtenarenstatus hebben. Maar de dagen van dit staatsmonopolie, dat in 1990 al werd opgeheven voor de obligatiehandel, zijn ook geteld voor de handel in aandelen. Dat neemt niet weg dat de organisatie en regelgeving van de Beurs berust bij een Beursraad waarvan de besluiten ministeriële goedkeuring behoeven. In de praktijk wordt de Beurs echter geleid door de Société des Bourses Françaises (SBF).

De AEX-index van Parijs is de Cac-40, waarin de gemiddelde koers van de veertig belangrijkste Franse bedrijven wordt uitgedrukt. Zij behoren tot de veel grotere officiële markt die zeer strikte toelatingscriteria hanteert. De second marché, ingesteld in 1983, herbergt kleine en middelgrote bedrijven en heeft een veel soepeler regime. Daarnaast is er de nouveau marché, die naar het voorbeeld van de Amerikaanse schermenbeurs Nasdaq in 1995 in het leven is geroepen ten behoeve van jonge, snel groeiende bedrijven.

,,Parijs'' is de derde grootste beurs van Europa, na Londen en Frankfurt. De Londense beurs vertegenwoordigt een waarde van zo'n 2.800 miljard euro, die van Parijs bijna 1.500 miljard. De groei zit er echter wel in de laatste twintig jaar, onder meer door het grote aantal privatiseringen sinds de jaren tachtig. Een grote rol spelen ook de vele fusies en overnames, de ontwikkeling van de Economische en Monetaire Unie en de door de Fransen zo argwanend bekeken mondialisering.

Stond de Cac-40 in 1987 nog op 1000 punten, de laatste jaren wordt het ene record na het andere gebroken. In 1998 bijvoorbeeld werd een stijging van 43,6 procent gerealiseerd terwijl Londen het met 17 procent moest doen. Vorige week sloot de Cac-40 op 6304,28 punten.

Sinds 1997 neemt het buitenlandse kapitaal, dat vooral afkomstig is van pensioenfondsen, een steeds grotere plaats in op de Parijse beurs. Culturen botsen. Sommigen zien met lede ogen aan hoe het beheer van Franse bedrijven steeds Angelsaksischer wordt. Beslotenheid maakt plaats voor openheid. Op zich is dat gunstig, maar de Fransen vinden het bezwaarlijk dat het Angelsaksische bedrijfsleven hogere winsten eist. Daarom hebben economen aangedrongen op een versterking van de positie van de Franse pensioenfondsen.

De regering-Jospin deelt dat streven maar heeft tot nu toe nog geen maatregelen genomen. Toevallig komt daar morgen verandering in, want dan zal de premier bekendmaken wat hij met de regulering van de pensioenfondsen van plan is.