`Nood van BMW niet onderkend'

De Britse regering weigerde signalen te onderkennen dat het Duitse autoconcern BMW zijn dochter Rover wilde verkopen. Dat heeft BMW-woordvoerder Axel Obermüller vandaag tegen de BBC-radio gezegd. Hij zei dat BMW ,,spijt'' voelde dat het de Britse regering niet had ingelicht over de verkoop. Maar de Britten hadden kunnen weten dat BMW ,,grote problemen had met de aanhoudende verliezen en de druk van het dure pond'', aldus Obermüller. De Britse minister voor Handel en Industrie, Stephen Byers, heeft BMW eerder beschuldigd te ,,liegen'' over Rover.

Werknemers van de belangrijkste Rover-fabriek, in Longbridge, kregen vanochtend opdracht hun productie te verminderen, terwijl contracten met toeleveranciers werden opgeschort. De maatregelen lopen vooruit op het verwachte ontslag van de helft van de 9.000 werknemers, als de verkoop aan het Britse investeringsconcern Alchemy over zes weken rond is. Byers heeft gezegd op zoek te zijn naar een andere koper, maar de kans daarop is klein. De Brits-Duitse ruzie over de verkoop van Rover lijkt een echo van de botsingen bij de vijandige overname van het Duitse Mannesmann door het Britse Vodafone en heeft buitenlands- en binnenlands-politieke gevolgen. Een ,,woedende'' premier Blair heeft gezegd de verkoop te zullen aankaarten bij de Duitse bondskanselier Schröder op de komende Europese top. De verkoop lijkt ook het debat over Britse toetreding tot de euro te verhevigen. Minister Cook (Buitenlandse Zaken) wees gisteren de beschuldiging van de hand dat de Britse monetaire politiek en het kunstmatig dure pond BMW zouden hebben gedwongen Rover te verkopen. Maar hij erkende wel dat zijn land buiten de eurozone moeite kan krijgen met het aantrekken van investeringen uit het buitenland. Cooks woorden zijn uitgelegd als signaal aan premier Blair om niet langer te wachten met een campagne voor Britse toetreding tot de euro. De Londense vestiging van Ford wordt eveneens bedreigd met een sanering, die mogelijk leidt tot 4.000 ontslagen. Het Britse Lagerhuis begint een onderzoek naar de omstandigheden rond de verkoop van Rover. Martin O'Neil, voorzitter van de vaste Kamercommissie voor Handel en Industrie, zei ook te willen weten welke alternatieven er waren. Volgens hem heeft minister Byers geen schuld aan de omstreden verkoop. Toch heeft Byers politieke schade opgelopen. Volgens de Financial Times tellen voor Byers ontslagen werknemers in de auto-industrie zwaarder dan bijvoorbeeld bankemployees die nu met tienduizenden worden ontslagen. Volgens de krant begrijpt de minister zijn rol niet en komt hij zijn belofte niet na om het concurrentiebeleid te ontdoen van politieke lading. ,,Verraad roepen helpt niets''; hij kan beter helpen de autobouwers om te scholen, aldus de FT.