Water in Pompeï

Over de watervoorziening van Pompeï, in 79 na Christus bedolven onder lava en as van de Vesuvius, leek het laatste woord gezegd. Maar een Duitse leraar Latijn komt nu met een nieuwe interpretatie.

IN 1902 KROPEN Italiaanse archeologen aan de noordelijke kant van Pompeï een opmerkelijk gebouw binnen. Boven de puinlaag, bij een opening in de muur, zagen zij een riviergod op een vat en drie, watergietende nimfen geschilderd. Toen het puin was weggeruimd bleek in de basis van het gebouw een groot bekken aanwezig, met drie afvoerkanalen. De muurschildering, het bassin en de afvoeren gaven aan dat dit een castellum aquae was, een hoofdverdeelstation voor water.

Het water voor Pompeï moest afkomstig zijn uit de zogenoemde Serino-leiding, aangelegd onder keizer Augustus (27 voor tot 14 na Christus); wat dan tevens het castellum dateerde. De drie afvoerkanalen wezen er volgens de archeologen op dat het hoofdverdeelstation was gebouwd naar de voorschriften van de Romeinse architect Vitruvius, want in het betreffende chapiter van De Architectura legde hij vast dat bij de verdeling van water prioriteiten dienden te gelden. De hoogste lag bij de openbare bronnen, daarna de thermen en tot slot de privé-huizen.

Helaas was de technische installatie van het castellum aquae vernield. Waarschijnlijk is dit het werk geweest van rovers die kort na de ramp van 79 in de ruïnes op zoek gingen naar het lood dat de Romeinen voor hun waterleidingen gebruikten. Deze vernielingen beletten een reconstructie van het distrubutiemechanisme. De Duitse ingenieur Kretzschmer kwam een halve eeuw later, in de jaren vijftig, met een oplossing. In zijn reconstructie hield hij rekening met zowel de wisselende beschikbaarheid van water over de seizoenen als met Vitruvius' prioriteitenschema. Kretzschmer stelde dat in het bassin, tegenover het aanvoerkanaal aan de uitstroomkant, twee scheidingsmuurtjes waren gebouwd voor de verdeling. In deze doorgangen, uitkomend op de drie afvoerkanalen, stonden verschillend hoge, loden keringen. Bij voldoende hoge waterstand in het bassin kregen alledrie de afvoeren water. Zakte de waterspiegel, dan werden eerst de privé-huizen afgesloten en bij nog lagere wateraanvoer vervolgens de thermen. In die situatie ging alle dan nog beschikbare water naar de openbare bronnen. Kretzschmers bedenksel leek simpel, ingenieus en plausibel en werd voor dé oplossing gehouden.

Mooi bedacht, aldus dr. C.P.J. Ohlig, maar wel fictie. Afgelopen donderdag verdedigde hij aan de Katholieke Universiteit Nijmegen zijn proefschrift De Aquis Pompeiorum. Daarin komt hij met een nieuwe reconstructie van de waterhuishouding in Pompeï. Dit weekend presenteert hij onder toeziend oog van kroonprins Willem-Alexander zijn bevindingen op het Wereld Waterforum in Den Haag.

Ohlig, van origine filoloog en leraar Latijn, organiseerde vanaf 1980 voor zijn leerlingen studiereizen naar de omgeving van de Vesuvius. Tijdens zo'n gelegenheid raakte hij in het Pompeïaanse castellum aquae verzeild. Ohlig zag niets dat naar Vitruvius verwees, of dat Kretzschmers oplossing schraagde. Hij besloot De architectura er op na te pluizen. Ohlig: ``In werkelijkheid was Vitruvius een onbeduidende architect die er niet in slaagde opdrachtgevers te vinden. Hij besloot toen maar de architectuur van zijn tijd te gaan beschrijven. Tijdens de Renaissance wilde men weer gaan bouwen zoals de klassieken en wat was de enige bron? Vitruvius. Van beschrijver werd hij op dat moment tot voorschrijver. Dus toen men in 1902 dat castellum aquae vond met die drie afvoerkanalen viel het muntje. Kretzschmer bedacht het verdeelmechanisme en daarmee leek de kous af.''

subbassins

Maar Kretzschmers oplossing klopt niet met de beschrijving van Vitruvius, meent Ohlig. ``Want wat zegt Vitruvius? Dat het water uit het grote opvangbekken moet doorstromen naar drie subbassins. Bovendien dat er doorvoeren moeten komen van de buitenste twee subbassins naar die in het midden. Waarom? De buitenste dienden water door te geven naar de thermen en de privé-huizen, die in het midden naar de openbare bronnen. Thermen en privé-huizen namen niet constant water af. De baden werden 's nachts gereinigd en opnieuw gevuld, niet overdag, terwijl in de huizen vooral overdag water werd gebruikt. Bij afsluiting of vermindering van afname zou de terugstuw van water dan in het castellum geen overstroming moeten veroorzaken. De doorvoeren van links en rechts naar het middenste subbassin waren bedoeld om dat te voorkomen. En het overschot kwam dan aan de openbare bronnen ten goede.''

Vitruvius huldigde met deze constructie iets van het oude uitgangspunt dat water, zijnde een eerste levensbehoefte, voor iedereen gelijk beschikbaar moest zijn. Maar in zijn tijd was dat allang niet meer zo. Aansluiting van een privé-huis op het waterleidingnet kon als privilege worden ingezet. Ohlig: ``Vitruvius had een vernuftig systeem bedacht. Maar het is onwaarschijnlijk dat dit ooit werd uitgevoerd. Drie gescheiden waterleidingnetten zouden veel te kostbaar zijn geweest.''

Voor Ohlig lag daarmee de vraag naar Pompeï's waterdistrubutie weer helemaal open. Met tussenpozen reisde hij naar Italië om onderzoek te doen. Ohlig maakte het castellum aquae met stofzuiger en bezem schoon en deed tijdens het breekwerk van Romeinse loodrovers zijn eerste ontdekking. Op basis van de overgebleven sporen kon hij vaststellen dat het castellum twee bedrijfsfasen had gekend. De oorspronkelijke aanleg betrof een rond bekken met weinig meer inrichting dan een aanvoerkanaal en de drie afvoeren naar waarschijnlijk het oosten, midden en westen van de stad. Ten behoeve van de tweede bedrijfsfase werd er ingrijpend verbouwd. In het ronde bekken legde men een driehoekig reservoir aan met een driedeling door scheidingsmuren. Elke doorgang moest voorzien zijn geweest van een loden kering.

In het aanvoerkanaal deed Ohlig een volgende vondst. Duidelijk kon hij twee vingerdikke lagen kalkafzetting onderscheiden. De achterste, oudste laag was ongeveer 40 centimeter hoog; de laag die daar tegenaan zat 20 centimeter. Dit betekende dat de hoeveelheid aangevoerd water op een gegeven moment drastisch was gedaald. Had, zo vroeg Ohlig zich af, de verbouwing in het castellum hier mogelijk mee te maken? Hij nam monsters van de kalklagen, watermonsters uit brongebieden in de naburige Apennijen (onder meer bij Avella en Serino) en kalkmonsters uit het bekken aan het eindpunt van Augustus' Serino-leiding. Water uit dit bekken was bestemd voor het steunpunt van de Romeinse vloot bij Misenum (in de Baai van Napels). Ohlig liet de monsters in een Duits laboratorium op minerale samenstelling onderzoeken. De oudste kalkafzetting bleek afkomstig van Avella-water. De jongere, kleinere laag kwam wat minerale samenstelling betreft overeen met de afzetting in het reservoir van Misenum, maar verwees niet naar Avella-, noch naar Serino-water.

Ohlig snapte er niets van – tot topografische kaarten hem bij de oplossing brachten. Avella ligt noordoostelijk van Pompeï en de Vesusius, Serino iets zuidoostelijk. De beide waterleidingen volgden vanuit hun oorsprong de hellingen van de Apennijnen die op een bepaald punt, Ponte Tirone, bijna de hellingen van de Vesuvius raken. De ideale plek om de leidingen te laten oversteken en verder gebruik te maken van de Vesuviushelling. Ohlig vond er inderdaad resten van een Romeins aquaduct. Een nog niet beschreven – en daarom in de literatuur ontbrekende – ruïne. Hij nam ook hier afzettingsmonsters. Ohlig: ``Wat bleek? Pompeï kreeg eerst water uit het brongebied van Avella – in de nattere seizoenen in overvloedige mate. Die leiding werd waarschijnlijk aangelegd na 80 voor Christus, toen Sulla Pompeï veroverde. In Pompeï kwam het water terecht in een rond openlucht reservoir, waarna het doorstroomde naar onderverdelers in de stad. Maar dan laat keizer Augustus een waterleiding bouwen voor de vloot bij Misenum. Daarvoor worden de bronnen bij Serino aangesproken. De aangelegde leiding kruist die van Avella bij Ponte Tirone en hier worden ze op elkaar aangesloten.''

rantsoenering

De kalkafzettingen van Misenum en de jongste laag bij Pompeï blijken afkomstig van gemengd Avella/Serino-water. Ohlig: ``Kon Pompeï eerst overvloedig putten uit de leiding van Avella, op dat moment werd de stad aangesloten op een groter systeem en moest zij het beschikbare water delen met andere afnemers. Dat men minder water kreeg en zuiniger moest zijn is volgens mij de aanleiding geweest voor de aanpassingen in castellum aquae. Het open reservoir werd overbouwd en men begon aan de constructie van een inrichting voor de rantsoenering.''

Ohlig bouwde een schaalmodel van de tweede bedrijfsfase en liet waterbouwkundigen ermee experimenteren. In de reconstructie die dit opleverde zijn de drie loden keringen op gelijke hoogte voorzien van sleuven. Daar kon het water doorheen stromen. Door een of meerdere houten wiggen naast elkaar in de sleuven te plaatsen was het mogelijk de hoeveelheid doorstromend water in elk van de drie afvoeren (zonodig tijdelijk) nauwkeurig te doseren. Ohlig vond bij zijn onderzoek ook sporen van een loden pijp die de drie gescheiden waterstromen weer bij elkaar kon brengen. Daar brak hij zich het hoofd over, wat voor zin had dat nu weer? Bij de experimenten met het schaalmodel bleek echter dat deze verbinding kan zijn gebruikt om een grovere distributie van water te bewerkstellingen. Door het plaatsen van stoppen op openingen in de pijp was het mogelijk grotere waterstromen voor een bepaalde tijd in een bepaalde richting te sturen. In die situaties zal men de sleuven in de loden keringen helemaal open hebben laten staan.

Ohlig: ``Mijn bevindingen maken duidelijk dat Pompeï's waterhuishouding niet werd ingericht volgens de voorschriften van Vitruvius. De Romeinse ingenieurs waren zo vernuftig dat ze met maatregelen die op de lokale situatie waren toegesneden een maximaal resultaat konden behalen. De inrichting van de waterdistributie zal er van stad tot stad anders hebben uitgezien.''

Dr. C.P.J. Ohlig presenteert zijn onderzoek dit weekend op het Second World Water Forum in Den Haag, voorgezeten door Prins Willem-Alexander.