Voor joden verboden

Gewoonlijk reis ik er per bus naartoe – naar Hebron. De ramen van de bus, die zich door de bergen van Judea naar Hebron slingert, zijn van kogelvrij glas en de voorruit is met tralies beschermd. De stoel achter de chauffeur is gereserveerd voor een soldaat. De personenauto's die de bus tijdens de reis passeren hebben allemaal zulke ramen en de meeste kolonisten reizen niet zonder wapen. Het zijn ongeschreven wetten die stammen uit de tijd van de Intifadah.

Toch besloot ik dit keer zelf te rijden, dus zonder ramen van kogelvrij glas en zonder wapen. De laatste tijd waren er weinig stenen gegooid en Palestijnen en Israëliërs beperken zich tot verbaal geweld. De reis naar Hebron, de licht ontvlambare stad van de aartsvaders die heilig is voor moslims, joden en christenen, verliep zonder problemen. Een enkele Palestijn weidt zijn kudde of brengt zijn waar aan de man langs de weg, maar van hen hebben joden en goyim niets te vrezen. Maar in Hebron, waar de spanning tussen jood en Palestijn in de lucht hangt, lijkt de situatie elk moment te exploderen.

Een joods uiterlijk valt temidden van de bedrijvig handelende Arabieren niet in goede aarde, evenmin als de aanblik van een keppel. Hebreeuws spreken in deze omgeving is zeker niet verstandig. Prompt rinkelde mijn gsm toen ik door de Arabische markt liep waar handelaren probeerden de schallende Arabische muziek te overstemmen met `welcome' en `come in my shop'. Het was Kobi, een ultra-orthodoxe sefardische jood die geen Engels spreekt. Ik moest dus in het Hebreeuws antwoorden en dat deed ik, geheel tegen Israëlisch gebruik in, op fluisterende toon om de aandacht niet te trekken. ,,Het is daar gevaarlijk'', liet Kobi weten, ,,maak dat je wegkomt.'' Omstanders keken ongeneerd naar die Hebreeuwssprekende blondine, die toch wel eens joods zou kunnen zijn.

`Verboden voor joden' kreeg ik buiten te horen van een Israelische soldaat. Ik was op hem afgestapt, enigszins opgelucht dat ik me weer verstaanbaar zou kunnen maken. Voordat ik hem kon vragen waar Noam Arnon, het hoofd van de joodse gemeente van Hebron, kantoor houdt, riep een andere soldaat me van een afstand iets toe. Ik zei slicha, het Hebreeuwse woord voor pardon. ,,Oh, je bent een jodin?'' kreeg ik van diezelfde afstand te horen. ,,Nee'', zei ik, ,,maar er zijn ook goyim die Hebreeuws spreken.'' ,,Ah'', zei een vrouwelijke soldaat, en ze bleef staan waar ze stond, ,,het is hier verboden voor joden, vandaar''. En ze wees weer naar de markt waar ik was uitgekomen. ,,En'', riep ze me na, ,,spreek geen Hebreeuws in de buurt van Arabieren.''

In Hebron wonen 52 joodse families – in totaal zo'n vierhonderd mensen – temidden van de 74.000 Arabische inwoners. Volgens de Arabische burgemeester, Mustafa Natsche, wijzen alle bronnen erop dat de stad van hen is, maar volgens veel joden is Hebron het `hart van het jodendom'. Hier woonde de aartsvader Abraham, die van Efron de Hethiet de Grot van Machpela zou hebben gekocht (Gen.13:18) waarin hij zijn vrouw Sara heeft begraven. Hij werd er zelf ook begraven en na hem zijn zoon Isaak, diens vrouw Rebekka, Isaak's zoon Jakob en zijn vrouw Lea. De Grot – door moslims de Ibrahim Moskee genoemd – ligt middenin de stad en joden en Arabieren wandelen in en uit.

,,De Grot, die leidt naar de Hof van Eden, maakt het jood-zijn in Hebron heel anders'', zegt de uit Tel Aviv afkomstige Noam Arnon. ,,De nabijheid van de aartsvaders is zo belangrijk in mijn leven dat ik nergens anders meer zou kunnen bidden. We hebben lang moeten lijden om dit land te krijgen. Waarom zouden we hier zijn als we onze plicht verzaken en waarom zouden we onszelf dan nog joods noemen?''

,,We zouden met de Arabieren goede vrienden kunnen zijn, maar de kans dat het goed komt is sinds de Intifadah verkeken'', zegt Arnon en hij haalt een stapeltje papier tevoorschijn. ,,Deze losse bladzijden uit een joods gebedenboek lagen gisteren op straat.'' Met een dikke blauwe viltstift zijn hakenkruisen getekend en in het Arabisch staat geschreven `We zullen slaven van jullie maken'.