Vergoeding voor strijdlustigen

Een geschil met de Belastingdienst uitvechten kan kostbaar zijn. Ook als men gelijk krijgt, komt de fiscus maar zelden over de brug met een volledige vergoeding van de kosten. De Hoge Raad is ruimhartiger. Te royaal in de ogen van staatssecretaris Vermeend (Financiën).

De inspecteur legt een belastingaanslag op aan de hand van de aangifte. Bij het opleggen van de aanslag kan hij evenwel van andere getallen uitgaan. Wie het daar niet mee eens is, kan bezwaar maken tegen de opgelegde aanslag. Dat bezwaarschrift moet binnen zes weken worden ingediend bij de inspecteur. De bezwaarfase die dan begint, dient voor een herbeoordeling van de beslissing van de inspecteur. Deze geeft de belastingbetaler de gelegenheid zijn bezwaren mondeling toe te lichten in een hoorzitting. Dat is niet meer dan een gewoon gesprek op de kamer van de inspecteur. In een behoorlijk aantal gevallen wordt de zaak dan duidelijker en honoreert de inspecteur de bezwaren geheel of gedeeltelijk. Hij vermindert dan automatisch de oorspronkelijke aanslag. Mocht hij het bezwaar afwijzen, dan kan men altijd nog het oordeel van de rechter inroepen.

Wie zelf zijn bezwaarschrift schrijft, heeft doorgaans niet meer kosten dan de reiskosten en wat postzegels. Dat is anders bij degenen die professionele hulp inroepen. Vaak is het wel zo verstandig een belastingadviseur in te schakelen, al is men daarvoor een honorarium verschuldigd. Men kan de inspecteur vragen dat soort kosten te vergoeden. Maar een dergelijk verzoek maakt naar het beleid van het ministerie van Financiën alleen kans als een belastingambtenaar `ernstige onzorgvuldigheid' te verwijten valt. Daarmee zitten we in de sfeer van de vrijwel onbegrijpelijke, bijna opzettelijke fouten. Een alledaagse misslag bij de aanslagregeling leidt niet tot kostenvergoeding. Dan valt te denken aan het over het hoofd zien van cijfers, een verkeerde beoordeling van een situatie, een verkeerde interpretatie van de wet of gewoon verstrooidheid. Dat hoort volgens Financiën allemaal bij de normale risico's die de burger moet nemen, zodat de Belastingdienst in de praktijk bijna nooit een verzoek om kostenvergoeding in de bezwaarfase toewijst.

Wie zich daardoor onheus bejegend voelt, kan zich wenden tot de Nationale ombudsman in Den Haag. Die onderzoekt bijvoorbeeld een klacht over het niet toekennen van een kostenvergoeding snel, onpartijdig en zonder kosten. Het komt wel voor dat de ombudsman vindt dat de fiscus toch een schadevergoeding verschuldigd is. Op een vraag of het terecht is dat de inspecteur het bezwaarschrift heeft afgewezen, geeft de Nationale ombudsman geen antwoord. Daarvoor moet met namelijk bij de belastingrechter zijn.

Die procedure is kostbaarder dan de bezwaarfase. Dat onder meer omdat men vaak niet goed buiten de steun van een belastingadviseur kan. Voor degenen die hun zaak bij de rechter winnen, regelt de wet een onkostenvergoeding. Die is evenwel karig vergeleken bij de werkelijke hoogte van de gemaakte kosten. De fiscale rechter die het geschil beslecht, spreekt zich meteen uit over het wettelijk recht op een schadevergoeding. Door de te lage wettelijke schadevergoeding verlaat men de rechtszaal ook na een gewonnen belastingproces armer dan men binnenkwam.

Normaal gesproken is de burgerlijke rechter bevoegd om over schadevergoedingen te oordelen. Zelfs als die vordering over een fiscale zaak gaat. Eind vorig jaar heeft de Hoge Raad duidelijk gemaakt dat hij niet geïmponeerd is door de afwijkende regels in de fiscale sfeer. Wie kosten maakt door een foute toepassing van de wet door de inspecteur krijgt die kosten terug. Als die een beslissing heeft genomen die hij later terug moet nemen, dan is een kostenvergoeding net zo goed op zijn plaats. Daarbij maakt het bovendien geen verschil of het de inspecteur of de rechter is die de belastingaanslag terugdraait. De kosten om het zo ver te krijgen moeten vergoed worden. Dat beginsel kan zelfs de beperkende wettelijke regel in belastingzaken opzij zetten. Er geldt niettemin een uitzondering: als de inspecteur en de belastingbetaler het samen eens worden over de juiste aanslag, dan is een vergoeding van de baan. Volgens de rechter hebben beide partijen dan hun goede en kwade kansen verwerkt.

De Nationale ombudsman neemt in zijn oordelen deze opvatting van de Hoge Raad over. Staatssecretaris Vermeend (Financiën) doet dat niet. De uitspraak van de Hoge Raad heeft betrekking op een specifiek geval en geldt volgens Vermeend zeker niet in alle belastingzaken en al evenmin in de heldere woorden zoals we die kortheidshalve hiervoor hebben gebruikt. Hij laat de Belastingdienst gewoon op de oude voet voortgaan. Om de staatssecretaris te overtuigen is een nieuwe procedure nodig en wel voor de burgerlijke rechter. Dat wordt voor degene die de kolen uit het vuur mag halen, een kostbare zaak. Daarom is de Nederlandse Federatie van Belastingadviseurs een proefprocedure gestart om in alle duidelijkheid een integrale vergoeding van de kosten van rechtsbijstand af te dwingen. Zowel in de bezwaarfase als in de daaropvolgende fase van verzet (vroeger beroep). Bij die proefprocedure betrekt de Federatie de zaken van belastingbetalers die ook een dergelijke vergoeding eisen; eventueel over het verleden (maximaal vijf jaar). Die mensen delen via verdeelsleutel in de kosten van de proefprocedure. Overigens lijkt de uitspraak die daar uit voortkomt op grond van het gelijkheidsbeginsel op iedereen van toepassing, niet alleen degenen die nu met de Federatie meedoen. Wie aan de zijlijn afwacht, moet wel goed letten op de mogelijke verjaring van zijn zaak. Als alternatief is er altijd nog de gang naar de ombudsman die de opvattingen van de Hoge Raad wel overneemt. Staatssecretaris Vermeend zit ondertussen niet stil. Bij de Tweede Kamer ligt al een wetsvoorstel die voor de toekomst de opvatting van de Hoge Raad terzijde wil schuiven.

Informatie over deze proefprocedure bij de Nederlandse Federatie van Belastingadviseurs; internet: www.fb.nl; telefoon (070) 416 61 66. De Nationale ombudsman heeft als internetadres: www.ombudsman.nl; telefoon (070) 356 35 63.