UIT DE LUCHT 4

Het gaat goed met Nederland. Zo goed, dat we terwille van de korenwolf, overwegen miljoenen extra uit te geven bij de aanleg van autosnelwegen en villawijken. Gelukkig zien ook politici in dat het beschermen van bedreigde diersoorten de moeite waard is. Des te vreemder is het dat, zelfs binnen de universiteiten, de bescherming van culturele unica behorend tot de `kleine letteren' – de leerstoel Keltisch in Utrecht bijvoorbeeld – op de tocht staat. Alles draait om financieringsmodellen en studentenaantallen; `onrendabele studies' verdwijnen. Dit is niets nieuws. Bijna tien jaar geleden onderkende de minister van O en W de gevaren ook al en, op advies van de Commissie Staal, kwam hij tot een `Consolidatie van de kleine letteren' door toekenning van een geoormerkte subsidie van tien miljoen gulden per jaar.

Maar Dirk van Delft signaleert bij de Colleges van Bestuur dat `de bescherming van de kleine letteren tot inertie leidt, dat die warme deken het innoverend vermogen niet ten goede komt' en `het kordon (om de kleine letteren) de afgelopen acht jaar (niet) veel vrucht heeft gedragen' (W&O, 12 febr).

De evaluaties door de Werkgroep Kwaliteit van de Universiteit Leiden tonen de onrechtvaardigheid en het gevaar van dergelijke generaliserende meningen. Men kan evengoed volhouden dat er, dankzij de bescherming, topprestaties geleverd zijn. Tijdens de aanbieding van de eerste systematische grammatica van Dzongkha – de officiële taal van het koninkrijk Bhutan – aan de ambassadeur van dat land, bijvoorbeeld, werd overduidelijk dat de onderzoekers van het Himalaya-talenproject weinig gelegenheid hadden om lekker te dutten onder een warme deken daar hoog in de bergen.

Het is duidelijk dat men het probleem vanuit een nationaal oogpunt zou moeten bekijken, maar vanwege de profileringsdrang van de elkaar beconcurrerende universiteiten blijkt dit een pad vol doornen. Desalniettemin zou men op korte tijd twee dingen moeten doen: (1) het begrip `kleine letteren' beter definiëren; (2) de echte parels onder de kleine letteren identificeren, door de evaluatiecommissie onder leiding van W.P. Gerritsen eindelijk aan de slag te laten gaan.

Evenzeer als men niet alle kleine dieren beschermt, verdienen niet alle talen die weinig studenten trekken bescherming op grond van `kleinheid'. Chinees en Japans zijn geen `kleine talen', het zijn wereldtalen zoals Russisch en Spaans. Nederland kan er niet buiten en men moet deze talen hier dus ergens studeren. Maar voor talen als het Keltisch in Utrecht en de taalfamilies bestudeerd binnen de afdeling Vergelijkende Taalwetenschappen in Leiden geldt dit niet. Zoals de minister al in 1992 onderkende, dreigen ze zonder bescherming ten onder te gaan. Dit zou een ramp zijn; niet omdat iets kleins verloren gaat, maar omdat het hier in internationaal perspectief om culturele waarden gaat die Nederland zorgvuldig hoort te koesteren.