Tweede leven

Ze willen meer zekerheid. Ze willen greep krijgen op hun ziekte, en vragen daarom een tweede mening. Eén ziekenhuis in Nederland heeft hiervoor een speciaal spreek- uur opgezet. `Ze vroegen hier voor het eerst hoe het met mij ging.'

Ze had minder dan een jaar te leven, zei de chirurg tegen Sietske Bomhof. Ze had maagkanker, er was niks meer aan te doen. Ze was vierenzeventig, te oud voor een operatie. Haar maag en een deel van de twaalfvingerige darm zouden moeten worden weggehaald, de kans dat ze die ingreep overleefde, was klein. Bestraling of chemotherapie hadden geen zin meer, de kanker zat te diep.

De arts vertelde dat haar maagwand zou dichtgroeien. Al snel zou ze alleen nog maar vloeibaar voedsel tot zich kunnen nemen. En als ook dat niet meer lukte, werd een maagsonde ingebracht.

Ze hoefde niet in het ziekenhuis te sterven, er kon een ziekenhuisbed in haar woonkamer worden geplaatst, voor het raam, met uitzicht op de tuin.

,,We wilden in de herfst nog op familiebezoek in Canada'', zei haar zoon.

,,Dat kan'', zei de arts. ,,In Canada hebben ze ook vloeibaar voedsel. Maar wacht er niet te lang mee.''

Dat was vorig jaar zomer. Sietske Bomhof zit nu op een stoel in haar woonkamer. Ze drinkt thee, ze eet een koekje. Ze is bijna jarig, ze gaat met haar kinderen brunchen in een eethuis in Gouda.

Sietske Bomhof zegt: ,,Het is Gods wil dat ik nog leef.''

Ze zegt ook: ,,Als ik niet naar die tweedemeningkliniek was gegaan, was ik er nu misschien al niet meer geweest.''

Het verhaal van Sietske Bomhof is een verhaal dat de artsen van de Daniel den Hoed Kliniek liever niet te luidruchtig vertellen. In de kliniek in Rotterdam worden kankerpatiënten behandeld. En er is, op de afdeling chirurgische oncologie, een speciale polikliniek waar kankerpatiënten uit andere ziekenhuizen terechtkunnen voor een tweede mening, een second opinion.

Maar ze verrichten geen wonderen in die polikliniek, zeggen de artsen. Sietske Bomhof hoort bij de ongeveer zeven procent van de patiënten die in de tweedemeningpolikliniek afwijkend advies te horen krijgen, en die een andere behandeling ondergaan dan hun eerste arts voorstelde.

Veertien jaar geleden had Sietske Bomhof borstkanker, een van haar borsten werd weggehaald. De kanker in haar maag bleek een uitzaaiing te zijn, en die was eenvoudig te behandelen met een hormoonkuur. De kankercellen zijn niet verdwenen, maar actief zijn ze ook niet, ze reageerden onmiddellijk op de medicijnen.

In het eerste ziekenhuis was niet ontdekt dat de maagkanker met de borstkanker te maken had, in de Daniel den Hoed Kliniek wel.

Patiënten kunnen in ieder ziekenhuis en bij iedere specialist een tweede mening vragen. Zo'n tien jaar geleden waren het bijna alleen maar jonge, hoogopgeleide patiënten uit grote steden die vonden dat ze er `recht' op hadden. Nu zijn het ook mensen als Sietske Bomhof, met alleen lagere school, die tegen hun arts zeggen: ,,Wat zou u ervan denken, dokter, als ik een second opinion ga vragen?''

Het aantal patiënten voor een tweede mening neemt, volgens artsen en patiëntenverenigingen, nog ieder jaar toe. Maar hoeveel het er nu zijn, wordt niet bijgehouden. Schattingen van academische ziekenhuizen lopen uiteen van vijf tot veertig procent van alle nieuwe poliklinische patiënten.

Begin jaren negentig merkte Theo Wiggers, chirurg in de Daniel den Hoed Kliniek, dat zijn spreekuur `verstopt' raakte door second opinion-patiënten. Ze hadden veel te vertellen, veel te vragen. Ze waren kwaad op hun eigen arts, of onzeker over een behandeling. Aan twintig minuten, de tijd die Wiggers voor nieuwe patiënten reserveerde, hadden ze niet genoeg.

Wiggers bedacht de `tweedemeningpolikliniek', met een speciale `tweedemeningarts'. Niet alleen om zijn spreekuur te verlichten. Het was ook goed voor de patiënt, vond hij. Röntgenfoto's, weefselonderzoek, en uitslagen zouden van tevoren worden bestudeerd. Patiënten kregen een uur de tijd. Er zou `patiëntgericht gecommuniceerd' worden. En er kon, voor het eerst, onderzoek worden gedaan naar deze groeiende patiëntengroep. Waarom kwamen ze voor een tweede mening? En wat hadden ze eraan?

Oranjegeverfd

In de spreekkamer van Annemiek Mellink, radiotherapeut en `tweedemeningarts' in de Daniel den Hoed Kliniek, zitten Roos en Ton uit Gorinchem. Roos is een vrouw van bijna zestig, met oranjegeverfd, krullend haar. Ze had huidkanker, een melanoom, onder haar duimnagel. Drie maanden geleden werd de helft van haar duim er afgehaald.

,,Ik schrijf eerst op'', zegt de arts, ,,welke vragen u hebt. Dan gaan we die een voor een behandelen.''

,,Echt veel vragen heb ik niet'', zegt Roos.

De arts: ,,Waarom hebt u behoefte aan een tweede mening?''

Roos: ,,Ik vind dat ik alles geprobeerd moet hebben. En ik weet natuurlijk niet of er uitzaaiingen zijn. En of alles wel goed is gedaan.''

De arts: ,,U hebt behoefte aan meer zekerheid?''

Roos: ,,Ik wil ook vragen of ik een prothese kan krijgen. Mensen kijken raar naar me als ik boodschappen doe. En ik heb nog veel pijn.''

De arts: ,,Wat voor pijn heeft u?''

,,Een beetje branderig, niet constant. Het ligt ook aan het weer, hè Ton?''

Roos vertelt over een duim die ze van een handschoen knipte, en hoe prettig dat is voor wat er over is van haar duim, als ze naar buiten gaat.

De arts: ,,Pijnstillers helpen niet?''

,,Ik ben tegen pijnstillers.''

Maar ze heeft, zegt ze, al een afspraak gemaakt op de pijn-poli, en haar eigen arts heeft haar doorverwezen naar een revalidatie-arts, voor een prothese.

De arts: ,,Hoe bent u er verder onder?''

,,Ik lig er niet wakker van'', zegt Roos. ,,Mijn man is ernstig ziek. Daar maak ik me meer zorgen over.''

,,Wat heeft u'', vraagt de arts aan de man van Roos.

,,O niks'', zegt Ton. ,,Twee hartinfarcten gehad. Mijn galblaas is verschrompeld, één hartklep werkt slecht, een aneurysma van vierenhalve centimeter, en mijn nieren doen het ook niet goed.''

De arts knikt. ,,Dat is ernstig. Ik begrijp dat u zich zorgen maakt.''

Ze belt een chirurg. Hij onderzoekt de duim van Roos nog eens, voelt aan de binnenkant van haar elleboog. Er zit een verdikking, de chirurg denkt net als Mellink dat het een vetophoping is, maar hij zegt: ,,Toch maar een echo laten maken.''

Een melanoom is bijzonder kwaadaardig en zaait snel uit. In de Daniel den Hoed Kliniek zou de vrouw, voordat haar duim eraf werd gehaald, een onderzoek hebben ondergaan waardoor de baan van mogelijke uitzaaiingen in de klieren werd aangetoond, met speciale vloeistof.

Maar dat had nu weinig zin meer, had een van haar collega's, vóór dit gesprek, tegen de tweedemeningarts, gezegd. Het zou ook erg zwaar worden voor de vrouw. Ze zou als er uitzaaiingen waren, mee moeten doen aan een experimentele nabehandeling in Rotterdam. Mellink wist niet of ze de patiënt wel of niet over dat onderzoek moest vertellen. De vrouw zou misschien kwaad worden op haar eigen arts. Maar het zou ook vervelend zijn als ze er later van iemand anders over hoorde. Ze was nu in een specialistisch ziekenhuis geweest.

De chirurg die de duim bekijkt, zegt nu dat het onderzoek met de vloeistof nog wél kan worden gedaan.

De Daniel den Hoed Kliniek deed onderzoek onder 245 kankerpatiënten van hun tweedemeningspreekuur, de resultaten werden eind vorig jaar gepubliceerd in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. Ruim de helft van de patiënten kreeg in Rotterdam dezelfde diagnose en hetzelfde behandelvoorstel te horen als in het eerste ziekenhuis. Bijna een kwart hoorde afwijkend advies, maar voor het uiteindelijke verloop van de ziekte maakte dat niet uit. Bij achttien patiënten, zeven procent, week het advies af, en voor hen had dat ingrijpende gevolgen.

Bij zestien procent van de patiënten was een vergelijking van de eerste en tweede mening niet mogelijk. Omdat de eerste arts geen eenduidig behandelvoorstel had gedaan, of omdat patiënten de eerste mening niet hadden afgewacht.

Chirurg Theo Wiggers en radiotherapeut Annemiek Mellink, die de tweedemeningpolikliniek opzetten en ook het onderzoek uitvoerden, hadden verwacht dat er vooral patiënten zouden komen met zeldzame tumoren. Dat was niet zo. De meesten hadden een kankersoort die veel voorkwam. Er waren er ook niet veel die twijfelden aan de deskundigheid van hun eigen arts.

,,Ze komen vooral'', zegt Annemiek Mellink, ,,omdat ze behoefte hebben aan meer zekerheid, aan meer informatie. Ze willen greep krijgen op hun situatie, uit de rijdende trein stappen. Daarna zijn ze vaak gerustgesteld.''

Aambeien

Els Sies (43) uit Den Haag dacht dat ze aambeien had laten weghalen. Een week na de ingreep kwam ze voor controle. De arts duwde in haar liezen. ,,Waarom doet u dat'', vroeg Els Sies. Ze dacht dat hij naar de wond zou kijken.

,,Wat we hebben weggehaald'', zei de chirurg, ,,is kwaadaardig. Maar we gaan er vanuit dat alles weg is, en aan uw lymfeklieren voel ik niets.''

De arts zei dat hij haar geval zou voorleggen aan kankerspecialisten en een gynaecoloog. Waarom die gynaecoloog erbij gehaald werd, begreep Els Sies niet. Maar ze vroeg niks, zegt ze later. Ze was in de war, ze had kanker.

De chirurg zei dat ze over zes weken moest terugkomen. Het gesprek, zou ze later zeggen, had nog geen tien minuten geduurd.

Els Sies werkt bij de thuiszorg. Een collega van haar zocht op Internet. Kanker bij de anus, ontdekte ze, kwam bijna niet voor. De ziekte kon veroorzaakt worden door een virus. Els Sies had acht jaar eerder baarmoederhalskanker gehad, die kanker kon van hetzelfde virus komen.

Zes weken later was de chirurg die haar had geopereerd, op vakantie. Zijn vervanger zei dat er nog niet was overlegd met de andere artsen. Els Sies moest over drie maanden maar weer terugkomen.

Haar huisarts kreeg in de weken erna twee brieven uit het ziekenhuis. In de eerste stond dat de kanker was weggehaald. In de tweede dat dat toch niet het geval was, de `snijranden' waren niet vrij geweest van kankercellen.

Maar de kankerspecialisten en de gynaecoloog die over Els Sies hadden gesproken, hadden te weinig informatie om tot een behandeladvies te komen, stond er in de brief. Omdat de chirurg zelf niet bij het gesprek aanwezig was geweest.

Uit het onderzoek in de Daniel den Hoed Kliniek bleek dat bijna de helft van de patiënten die voor een tweede mening kwamen niet erg tevreden was over de `communicatie' met hun eigen arts, van hen noemde 23 procent de communicatie `slecht'.

De artsen in Rotterdam vinden die uitkomst `positief'. Ze hadden verwacht dat de onvrede groter was, ze dachten dat veruit de meeste patiënten kwamen omdat ze met hun eigen arts niet konden praten, geen vragen durfden stellen, omdat ze teleurgesteld waren. Ze denken nu dat de beroepsgroep heeft `bijgeleerd'. Maar ze schrikken ook nog, zeggen ze, van verhalen die ze horen.

Tweedemeningarts Annemiek Mellink probeert de artsen niet af te vallen. Het blijven collega's en het zijn patiënten die hún ervaringen vertellen. Als ze een verhaal van een patiënt heel erg vindt, zegt ze: ,,Dat verdient geen schoonheidsprijs.''

Cyste

In de zomer van 1999 ontdekte Manon Ruisch (39) uit Nijverdal een knobbeltje in haar linkerborst. De chirurg in het ziekenhuis zei dat ze zich geen zorgen moest maken. ,,Het is een cyste.''

Manon Ruisch zei dat ze zich wél zorgen maakte, dat het niet goed voelde.

,,Ik kan een punctie doen'', zei de arts. ,,Maar die zal, op die plek, toch niet lukken.''

Het knobbeltje zat hoog, in de buurt van haar schouder. De chirurg pakte een naald en prikte in Manons borst. Manon Ruisch zou later vertellen: ,,Hij kwam met die naald op me af.''

Uit de punctie kwam niets, hij had te weinig weefsel kunnen wegnemen. Ze moest na vier maanden terugkomen. De chirurg zei opnieuw dat het een cyste was. Manon Ruisch hield vol: ,,Ik wil dat u 'm weghaalt.''

,,Goed'', zei de arts. ,,We kunnen samen afspreken dat we 'm weghalen. Maar u moet onder narcose, en u houdt er een litteken aan over.''

Manon werd geopereerd, dezelfde dag kon ze naar huis. Een week later kwam ze voor controle. Ze had last van de wond, maar de arts keek er niet naar. Hij las in haar dossier en zei dat er een `zenuwtje' was geraakt.

Voor de uitslag van het weefselonderzoek moest ze de volgende dag terugkomen. Manon vroeg of ze er niet over kon bellen. Dat kon. Het was toch een cyste.

De volgende ochtend, aan de telefoon, zei de arts: ,,Nu heb ik toch een vervelend bericht. Het was een tumortje. Maar ja, we hadden afgesproken dat u erover zou bellen, en deze uitslag hoorde bij de mogelijkheden, dat wist u.''

Ze moest opnieuw geopereerd worden, haar okselklieren werden weggehaald. Een dag na de operatie kwam de chirurg de zaal op. Hij begroette Manon Ruisch niet, hij keek naar de fles die het vocht uit de wond opving en zei: ,,Veel wondvocht voor zo'n mager okseltje.'' Hij liep weer weg.

Tien minuten later kwam de artsassistent. Hij keek ook naar het vocht in de fles. ,,Als het stopt, mag u naar huis.''

Manon Ruisch had vragen. Ze wilde weten of de eerste operatie, waarbij alleen maar een `cyste' zou worden verwijderd, wel goed was uitgevoerd. Opereerde een arts niet anders als hij wist dat hij kanker weghaalde, en geen cyste? Ze wilde ook weten hoe groot de kans was dat de kanker terugkwam, en hoe de behandeling verder zou verlopen, de chirurg had gezegd dat ze een chemokuur zou krijgen. De artsassistent zei: ,,Ach mevrouw, daar moet u zich nu allemaal nog geen zorgen over maken.''

,,In de Daniel den Hoed Kliniek'', zegt Manon Ruisch nu, ,,heeft een arts voor het eerst goed naar mijn wond gekeken. En voor het eerst werd gevraagd hoe het met míj ging.''

Wanhoop

Veel patiënten die voor een tweede mening kwamen in de Daniel den Hoed Kliniek, hadden het gevoel dat hun eigen arts te weinig tijd voor hen had. Dat snapten ze wel, de spreekkamer zat vol, en dokters hebben het nu eenmaal druk.

Of ze hadden niet goed begrepen wat de arts had gezegd. Ze hadden gehoord ,,u hebt kanker'' en daarna niets meer.

Patiënten kwamen ook uit wanhoop, ze konden zich bijna niet voorstellen dat er `niks meer aan te doen' was. Ze lazen op Internet artikelen, vaak uit Amerikaanse tijdschriften, over nieuwe methodes voor behandeling. ,,Vroeger'', zegt chirurg Theo Wiggers, ,,begonnen ze over een buurvrouw die had gehoord dat die of die behandeling ook nog kon. Dat was makkelijk te weerleggen. Nu leggen ze een stapel prints van Internet op je bureau en zeggen: `Zo wil ik het'.''

In de spreekkamer van Annemiek Mellink zit een man uit Leidschendam, ingenieur, eenenveertig jaar. Hij draagt een felgekleurde, gebreide trui. Naast hem zit zijn vrouw, aan de andere kant zijn zwager.

Twee jaar lang had hij bloed bij zijn ontlasting. Aambeien, zei de huisarts. Het was darmkanker. Tijdens de operatie werden uitzaaiingen ontdekt aan zijn lever. Op de echo, vóór de operatie, waren die niet gezien.

Er werden foto's gemaakt van zijn longen. Daar zaten, zegt de vrouw van de patiënt, `kleine puntjes' op. Annemiek Mellink kan dat niet zelf beoordelen, het Haagse ziekenhuis stuurde niet alle foto's op. Ze zal later nog bellen, belooft ze, als de foto's binnengekomen zijn. ,,We gaan er vanuit dat wij hetzelfde zien, maar...''

De zwager onderbreekt: ,,Alles uitsluiten, hé?''

En hij vraagt: ,,Gebeurt dat nou vaak, dat ze op een echo geen uitzaaiingen zien?''

De arts: ,,Meestal zie je ze wel. Niet altijd.''

De vrouw: ,,Dat betekent dat ze nog heel klein zijn, toch?''

De arts richt zich tot de man: ,,Waarom hebt u behoefte aan een tweede mening?''

,,Dit is een specialistisch ziekenhuis'', zegt de vrouw. ,,We willen graag weten hoe u de behandeling zou doen.''

Ze hebben van hun arts gehoord, zegt ze, dat er een nieuwe, experimentele behandeling is voor de lever. Die zou `gespoeld' kunnen worden met een hoge dosis chemo.

Mellink: ,,Dat klopt. Ik kom er zo op terug.''

En tegen de man: ,,Hoe is het nu van binnen met u? Waar maakt u zich het meest zorgen over?''

Hij zegt, zacht: ,,Dat ik ertussenuit knijp.''

Zijn vrouw: ,,Ik ben positiever. Ik denk dat hij er weer helemaal bovenop komt. Onze chirurg heeft gezegd: met die nieuwe behandeling heeft u fifty-fifty-kans op genezing.''

Mellink kijkt haar lang aan, dan zegt ze: ,,Ik denk dat de arts bedoelde dat er vijftig procent kans is dat de behandeling aanslaat. Het gaat nooit meer helemaal weg.''

De vrouw: ,,Dus dan zou hij zijn hele leven chemokuur moeten hebben?''

Mellink aarzelt, dan knikt ze. Na het gesprek zal ze zeggen: ,,Vroeger dacht ik dat het mijn taak was patiënten de waarheid te vertellen. Nu ben ik voorzichtiger. Het is ook belangrijk dat ze hoop houden.''

Ze zegt tegen de vrouw: ,,U moet wel beseffen: als het klopt dat er uitzaaiingen zijn op de longen, dan is die experimentele behandeling van de lever niet meer mogelijk.'' De vrouw reageert er niet op, ze zegt: ,,Ik heb gehoord dat ze in Leiden verder zijn met de lever dan hier, is dat zo?''

Verwarring

Een derde mening? Volgens chirurg Theo Wiggers van de Daniel den Hoed Kliniek zullen kankerpatiënten dat niet snel doen. Ze hebben het al zwaar, ze hebben vaak niet veel tijd meer, en een derde mening zal de verwarring, denkt hij, alleen maar groter maken.

Maar waarom is dat niet ook zo met een tweede mening? Waarom zou die `geruststellend' zijn, en een derde verwarrend?

,,Twee weten meer dan één, dat idee zit in onze cultuur ingebakken'', zegt Rob Holdrinet, internist-hematoloog in het Sint Radboudziekenhuis in Nijmegen en specialist in kwaadaardige bloed- en beenmergziekten. ,,Maar ik denk dat het niet waar is. Twee meningen vergroten de onzekerheid. Je hebt meer aan één arts in wie je vertrouwen hebt, dan aan tien deskundigen.''

Holdrinet, die ook hoogleraar is in de ontwikkeling van medisch onderwijs, vindt het speciale tweedemeningspreekuur in Rotterdam een slechte ontwikkeling in de gezondheidszorg. Zo'n spreekuur noemt hij `de acceptatie van een nederlaag'. Als er in een specialistisch kankerziekenhuis méér wordt ontdekt dan in andere ziekenhuizen, betekent dat volgens Holdrinet dat artsen beter moeten worden opgeleid. Als artsen niet kunnen praten met hun patiënten, als ze niets kunnen uitleggen, niet goed luisteren – dan moeten ze dat léren. En hij vindt dat de overkoepelende organisatie van specialisten niet zou moeten accepteren dat een arts maar tien of twintig minuten heeft om te vertellen dat een patiënt ernstig ziek is.

Ziekte, zegt de hematoloog uit Nijmegen, is niet meer `intiem', zoals vroeger. De hele familie, en vaak ook de buurt, bemoeit zich ermee. Het is vooral daardoor, denkt hij, dat de vraag naar een second opinion nog groeit. Het zijn vaak niet patiënten zelf, maar omstanders die een tweede mening willen, meer informatie eisen.

Artsen hoeven hun patiënten niet alles in één keer uit te leggen, zegt Holdrinet. ,,Ze kunnen ook later op dingen terugkomen.'' Een tweede mening komt daar tussen, die verstoort de `vertrouwensband'.

Hij begrijpt wel waarom patiënten er soms behoefte aan hebben, en waarom een tweede mening, bij bijzondere aandoeningen, ook heel goed kan zijn. Maar artsen, vindt hij, moeten de vraag niet stimuleren door speciale spreekuren aan te bieden.

De bedoeling van de tweedemeningpolikliniek, zegt Annemiek Mellink, was uit te vinden waar `het lek' zat, en aanbevelingen te doen waardoor de tweede mening overbodig zou worden. Maar er zullen, denkt ze nu, altijd patiënten blijven die erom vragen. Ook als de eigen arts genoeg tijd heeft en goed kan luisteren. Omdat ze zo in elkaar zitten. ,,En waarom ook niet? Artsen die zelf wat mankeren, bellen ook bijna altijd collega's om te horen door wie ze behandeld moeten worden: wat weet jij over hem? Is-ie goed?''

Chirurg Wiggers geeft toe dat het spreekuur misschien behoefte creëert. Maar de Daniel den Hoed Kliniek heeft nog nooit reclame gemaakt voor het spreekuur. De artsen willen, zeggen ze, ook geen patiënten uit andere ziekenhuizen wegtrekken, en ze proberen zorgvuldig het vertrouwen in de eigen arts niet onderuit te halen. Uit hun onderzoek bleek dat meer dan 70 procent van de patiënten wordt terugverwezen naar de eigen arts. Die doet dan de behandeling. De tweedemeningarts belt de eerste arts en stuurt een brief met bevindingen en soms aanbevelingen voor een andere aanpak.

Leuke hobby

De artsen in Rotterdam willen graag de indruk vermijden dat ze beter zijn dan andere ziekenhuizen – ze kunnen per jaar niet meer dan 200 patiënten op hun spreekuur hebben. Wiggers: ,,Als er morgen duizend patiënten op de stoep staan voor een tweede mening, is het systeem kapot.''

Niet alle verzekeraars vergoeden de kosten voor een second opinion, Maar het is onduidelijk hoe ze kunnen nagaan of een consult een eerste of tweede mening is. Ziekenhuizen declareren een tweedemeningpatiënt als een `nieuwe' patiënt. Dat de Daniel den Hoed Kliniek een speciale arts voor het spreekuur beschikbaar heeft, was het gevolg van toevallige interne verschuivingen. Wiggers: ,,Als er een stafchirurg voor vrijgemaakt moest worden, zou de directie zeggen: `Leuke hobby, maar dit kan niet'.'' Hij zou er geen bezwaar tegen hebben als patiënten een eigen bijdrage moesten betalen. ,,Het kost geld. En als je denkt dat je er behoefte aan hebt, moet je er nog maar eens over nadenken.'' De artsen in Rotterdam vinden ook niet dat ze er zijn voor iedere patiënt die extra informatie wil. Daarvoor kunnen ze ook vaak bij hun eigen arts terecht.

Patiënten worden minder bang voor de reactie van hun eigen arts als ze een tweede mening willen. Een mevrouw uit Wateringen, met darmkanker, merkte dat haar dokter opeens veel meer tijd en aandacht voor haar had toen ze voor een second opinion in Rotterdam was geweest. ,,Ik werd als een koningin behandeld. Ik kan het echt iedereen aanraden.'' Het komt ook steeds vaker voor dat artsen hun patiënten zelf voorstellen een second opinion te vragen, als ze zien dat die twijfels hebben over de diagnose, of niet willen geloven dat behandeling niet meer mogelijk is. De tweede mening helpt, hebben ze gemerkt, bij het `verwerkingsproces'.

Arie Pijpers (76) zit in zijn flat in Rijswijk op de bank. Naast hem staat een oranje plastic emmertje, hij moet soms opeens overgeven. In drie weken viel hij vier kilo af. Vorig jaar zomer werd een tumor verwijderd uit zijn endeldarm. Een week later stond hij alweer met zijn vrouw op de dansvloer, ze dansen twee keer per week. En twee keer per week rende hij in het bos.

Maar de kanker was uitgezaaid naar zijn lever en zijn longen. Begin dit jaar voelde hij zich opeens weer beroerd. Hij kon niet meer geopereerd worden, zei de arts, en ook bestralen was onmogelijk. De arts zei: misschien moet u voor een second opinion gaan, in de Daniel den Hoed Kliniek.

Arie Pijpers, nu: ,,Ik ging er optimistisch naar toe, ik dacht: daar zitten de specialisten, die gaan zeggen dat het met mij hartstikke meevalt.''

Maar het viel niet mee. Pijpers: ,,Mevrouw Mellink, een schat van een mens, vroeg me het hemd van de gat. En op een gegeven moment zei ze: `de tijd die u nog rest, moet u proberen zo aangenaam mogelijk te maken'. Mijn vrouw is er vier dagen door van slag geweest. Het was een enorme opsodemieter.''

Arie Pijpers denkt nu dat zijn eigen arts hem naar Rotterdam stuurde om daar te horen `hoe de vlag erbij hing'. Hij zegt: ,,Ik was er zelf niet opgekomen, een second opinion, ik heb blind vertrouwen in mijn dokter.''