Suikerfeest mag geen nationale feestdag worden

Het verlangen van moslimorganisaties om de dag van het Suikerfeest tot een nationale feestdag te verklaren, lijkt wel aardig, maar is in strijd met de opvatting van het kabinet zoals in 1985 is geformuleerd. Bovendien zou het inwilligen van zo'n verlangen een sluipende manier zijn om religieuze feestdagen tot het seculiere leven toe te laten en dat schaadt de opvatting dat kerk en staat strikt gescheiden moeten zijn. Het feit, dat enkele christelijke feestdagen vrije dagen zijn (geen nationale feestdagen), kan wel bijdragen tot een beleid, waarin aan minderheidsgroepen vrij moet worden gegeven op voor hen belangrijke godsdienstige feestdagen. Als moslims vragen om op hun Suikerfeest vrij te mogen zijn, moet het haast vanzelfsprekend zijn, dat zij in de gelegenheid worden gesteld hun godsdienstige plichten te vervullen. Maar, zo stelde de Stichting van de Arbeid al eens vast, dat kan beter geregeld worden in collectieve arbeidsovereenkomsten. Het Ambtenarenreglement kent zo'n bepaling en dus kunnen christelijke, joodse, islamitische en nog andersgelovige ambtenaren op voor hen belangrijke dagen en/of uren vrij krijgen. Daar is geen nationale feestdag voor nodig.

Naar het oordeel van het toenmalige kabinet dient zoveel mogelijk op gelijke wijze ruimte te bestaan voor de beleving van godsdienst en levensbeschouwing door leden van etnische minderheden, als voor de belijders van de van oudsher in de Nederlandse samenleving aanwezige godsdiensten.

Een uitbreiding van de algemeen erkende feestdagen met joodse, islamitische en hindoe feest- en gedenkdagen ligt naar de mening van het kabinet evenwel niet in de rede, gelet op het aantal reeds bestaande erkende feestdagen en het algemeen karakter daarvan. Cumulatieve erkenning zal leiden tot een ongewenst groot aantal vrije dagen. Het vergroten van een vast aantal aangewezen vrije dagen strijdt bovendien met het uitgangspunt van meer flexibele werktijden, die afgestemd zijn op de eisen van bedrijfsvoering of de dienstuitoefening.

Dan is er voorts nog een uitspraak van de Hoge Raad uit 1984, dat andere dan de algemeen erkende christelijke feestdagen niet op één lijn kunnen worden gesteld als het gaat om de vraag of iemand op zijn religieuze feestdag vrij moet hebben. Het befaamde `suikerarrest', waarin werd behandeld of een moslimwerkneemster vrij moest hebben.

Die vrije dag moest mogelijk zijn, maar voorwaarde daarvoor was dat zij tevoren een snipperdag had moeten aanvragen. En als de bedrijfsgang niet zou worden gestoord, moest de baas haar vrij geven. Er zijn sindsdien ook wel regelingen getroffen om betaald of onbetaald verlof te krijgen voor religieuze feestdagen. En dat is goed.

Maar niet nog meer godsdienstige nationale feestdagen. Jaren geleden schreef prof. H.E.S. Woldring onder meer: 'Kerken, synagogen en moskeeën zijn vrij te organiseren wat zij willen, maar het handhaven van christelijke feest- en gedenkdagen als verplichte vrije dagen is slechts het conserveren van een traditie of van een cultuurchristendom, dat in onze tijd meer nadelen dan voordelen heeft.' Zo is het nog steeds.

Afschaffen is misschien wat veel gevraagd zolang het christendom nog een dominerende factor in de Nederlandse samenleving is, maar het kan geen kwaad na te denken over de vraag of het wel billijk is het christendom zo te bevoordelen boven andere godsdiensten. Het andere uiterste is om religieuze feestdagen aan het rijtje toe te voegen. Dat moet voorkomen worden. Elke nieuwe vermenging van godsdienst en staat moet worden afgewezen.

Dick Houwaart is oud-directeur voorlichting van het ministerie van Binnenlandse Zaken.