Overschatte vrijheden

Staan commerciële opdrachtgevers de academische vrijheid in de weg? Mag de universiteit zich als ondernemer opstellen? Afgelopen maandag hield de knaw een bijeenkomst over contractonderzoek.

IN DE BIOTECHNOLOGIE is contractonderzoek de gewoonste zaak van de wereld. Universitaire laboratoria draaien soms voor de helft op opdrachten die van buiten komen. Bijvoorbeeld van de farmaceutische industrie. Die zien niet graag dat de resultaten van het door hen gefinancierde onderzoek al te snel in de openbaarheid komen, zodat ze een veilige voorsprong op de concurrentie kunnen opbouwen. Maar wat te doen als diezelfde concurrentie contractonderzoek in hetzelfde universitaire lab heeft ondergebracht? Dan zitten daar twee aio's naast elkaar te werken en ze mogen niet eens met elkaar praten. Een weinig academische gang van zaken.

Contractonderzoek betekent inmenging van buitenaf op de wijze waarop het onderzoek zijn beslag krijgt en externe bemoeienis met beslissingen over waar, wanneer en op welke wijze de resultaten worden gepubliceerd. Allerlei kwesties van juridische, economische en ethische aard dienen zich aan. Reden voor de KNAW (Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen) om over contractonderzoek een themabijeenkomst te beleggen. Afgelopen maandag leverde dat in het Trippenhuis een levendige bijeenkomst op waarbij de rekkelijken zich moeiteloos handhaafden.

In vijf rondes, ieder met een specifiek thema, verdedigden steeds twee sprekers een aantal stellingen. Het gaf de zaak vaart en bevorderde scherpe formuleringen. Zo had de Utrechtse neuroloog prof.dr. J. van Gijn geen goed woord over voor de Europese richtlijnen voor klinische trials met patiënten in academische ziekenhuizen. Het document `Good Clinical Practice' bood vooral schijnzorgvuldigheid. ``Verplichtingen van de deelnemende arts ten opzichte van patiënt en van externe opdrachtgever zijn tot in de kleinste details geregeld'', aldus Van Gijn, ``maar hoeveel en aan wie de sponsor betaalt is onduidelijk en het document zwijgt over wie het onderzoeksprotocol ontwerpt en hoe het toezicht geregeld is.''

bijltje

Zelf was Van Gijn voorzitter van een `data monitoring and safety committee', maar toen het bedrijf dat het onderzoek betaalde de verzamelde gegevens niet volledig ter beschikking wilde stellen, zodat van effectieve controle geen sprake kon zijn, legde hij het bijltje erbij neer. Van Gijn zei ``niet de illusie te koesteren'' dat het bedrijf zich veel inspanningen had moeten getroosten om een opvolger te vinden.

Zodra universiteiten zich op het terrein van technologieën wagen, in plaats van voor disciplines te staan, lopen ze risico, meende dr. K. van 't Riet van TNO-Voeding. Contractonderzoek, mits onder voorwaarden, kon volgens hem juist sterk bijdragen aan de universitaire missie. Ondernemerschap, aldus Van 't Riet, hoort niet in de universiteit, maar eromheen. In die opvatting werd hij bijgevallen door prof.dr. H. van der Laan, die gewag maakte van de frustratie bij Economische Zaken. Vergeleken met de Angelsaksische wereld ziet dat ministerie aan onze universiteiten droevig weinig bedrijfjes ontspringen.

In de laatste sessie ging het om de vraag of contractonderzoek de academische vrijheid aantast. Prof.dr. P. Schnabel, directeur van het Sociaal Cultureel Planbureau, stelde vast dat universiteiten niet weten wat onderzoek kost. Als Utrechts decaan – zijn vorige functie – was hem opgevallen dat succesvolle vakgroepen die veel derde geldstroom-projecten binnensleepten, de faculteit juist handenvol geld kostten. Dat kwam omdat ze alleen het salaris van de direct betrokken onderzoekers in rekening brachten en niets reserveerden voor bibliotheekvoorzieningen, huisvesting, facultaire overhead en wachtgelden. Bij integrale kostprijsberekeningen, aldus Schnabel, komen de bedragen zo hoog uit dat binnen projecten nauwelijks nog ruimte is voor reserves, dat er geen tijd is voor verdieping, voor publicaties in een ruimere, vrijere sfeer. Belangrijker dan het verschil tussen contractonderzoek en vrij onderzoek vond hij niet-publiceren versus vrij publiceren. ``Die statusverschillen tussen de geldstromen zijn opgeklopt.''

Prof.dr. W.A. Wagenaar, rector van de Universiteit Leiden, vond academische vrijheid een overschat begrip. ``In het fundamentele onderzoek kan je lang niet alles aanpakken, je wordt betutteld en gemaltraiteerd door peer reviewers, je middelen zijn beperkt, je moet aansluiten bij zwaartepunten, bij onderzoeksscholen, bij de strategie van NWO, je krijgt te maken met universitaire regimes die boeken in hun puntensystemen onderwaarderen, met gedwongen co-auteurschappen en er liggen taboes en paradigmatische vooroordelen. Ik heb twintig jaar bij TNO gewerkt en met veel plezier. Verschil tussen contractonderzoek en ander wetenschappelijk onderzoek wordt zwaar overdreven. Academische vrijheid is niet over ons uitgestort, je moet het veroveren, elke dag opnieuw.''