Nederland is niet multicultureel

Op muzikaal en culinair gebied is Nederland een smakelijke smeltkroes. Maar in belangrijke sectoren als het onderwijs en de arbeidsmarkt is de inbreng van andere culturen zeer gering, vindt Gabriël van den Brink.

Voor nieuwkomers lijkt Nederland wellicht een paradijs van openheid. Ofschoon er tal van normen, spelregels en verwachtingen bestaan, worden die zelden uitdrukkelijk gesteld. Maar o wee als deze impliciete regels worden overtreden. Dan wordt men uitgesloten van het maatschappelijk verkeer en eist de meerderheid haar normatieve rechten op.In werkelijkheid kent Nederland helemaal geen multiculturele maatschappij en de kansen van migranten worden niet bevorderd door te doen alsof dat wel zo is.

Het is een misverstand dat het bij `cultuur' om hoge idealen of fundamentele beginselen zou gaan. Cultuur berust op alledaagse gewoonten en verwachtingen: de houding die men op het werk aanneemt, de manier waarop we buren of kinderen aanspreken, de wijze waarop boosheid of verdriet geuit worden, de gang van zaken bij een sociale dienst, basisschool of ziekenhuis. Op al die gebieden bestaan normen in de zin van praktische gedragsregels.

Verder moet onderscheid worden gemaakt tussen de verschillende domeinen van het sociale leven. Soms lopen culturen door elkaar, bijvoorbeeld als het gaat om muzikale of culinaire tradities. Op die gebieden vormt Nederland inderdaad een even smakelijke als wanordelijke melting pot. Ook geeft het straatbeeld veel afwisseling te zien. Maar het blijven vrij marginale verschijnselen. `Multiculturalisme' heeft vooral betrekking op de vrije tijd. In de sectoren die er echt toe doen – gezinsleven, overheidsbeleid, onderwijs, arbeidsmarkt – is de inbreng van andere culturen zeer gering. In feite heerst daar een meerderheidscultuur die sterk in het teken van de burgerlijke middenklasse staat en veel normatiever is dan zij zelf wil weten.

Neem het Nederlandse gezinsleven. Iedereen weet dat dit de afgelopen veertig jaar is veranderd. Tot in de jaren zestig kozen de meesten voor het levenslange monogame huwelijk, waarbij vader de kost verdiende en moeder de huishoudelijke zorg op zich nam. Vergeleken daarmee is het heden verbluffend pluriform. Mensen gaan vaak tijdelijke relaties aan die lang niet allemaal op een huwelijk of samenwonen uitlopen. Soms zijn er kinderen, maar dat is niet noodzakelijk. Men kiest een partner van hetzelfde of van het andere geslacht, maar het is geen doodzonde als iemand meer relaties heeft. Nederland heeft zich op dit punt binnen enkele decennia ontwikkeld tot een zeer libertaire maatschappij. Bij nader toezien blijkt dit echter een oppervlakkig beeld.

Hoewel het ouderlijk gedrag de nodige diversiteit vertoont, bestaat er zoiets als een `pedagogisch minimum': een verzameling van elementaire gedragsregels waar een meerderheid van de ouders zich kennelijk aan houdt. Zij hebben bijvoorbeeld oog voor de eigen ontwikkeling van het kind, maar bevorderen even goed sociale gevoeligheid. Dat behoort tot een `normale opvoeding'. Hoewel deze door niemand dwingend wordt opgelegd, heeft zij een normatieve werking. Wie al te ver afwijkt van de meerderheidscultuur, loopt het risico van uitsluiting. Hoezo een multiculturele maatschappij? Als het gaat om opvoeding en gezinsleven legt een meerderheid van autochtone Nederlanders wel degelijk bepaalde normen aan.

Dit betekent niet dat de meerderheidscultuur onveranderlijk zou zijn. Zij heeft juist een snelle modernisering doorgemaakt. Als gevolg daarvan liggen de huidige normen hoger dan enkele decennia geleden. Dat geldt onder meer voor het onderwijsniveau. Tekenend is dat eind jaren zeventig ruim 10 procent van de Nederlandse werknemers wetenschappelijk of hoger beroepsonderwijs genoten had, terwijl dat aandeel momenteel 25 procent bedraagt. Ook dit verschijnsel heeft een normatieve werking. Hoe hoger het onderwijsniveau van de werkende bevolking, hoe slechter de kansen van iemand met onvoldoende opleiding.

Van belang is voorts dat het zwaartepunt van de economie is verschoven. Sectoren waarin het vooral om lichamelijke arbeid ging zoals landbouw, industrie of bouwnijverheid waren dertig jaar geleden goed voor 46 procent van de werkgelegenheid. Midden jaren negentig is dat aandeel gedaald tot 29 procent en neemt de dienstensector 70 procent van alle banen voor haar rekening. Dat heeft grote gevolgen voor het werk en de werknemers. Bij traditionele industrie heeft men vooral met `dingen' te maken terwijl het bij dienstverlening in de eerste plaats om `mensen' gaat. Bijgevolg worden er veel hogere eisen gesteld aan de sociale vaardigheden van het personeel.

Dat heeft gevolgen voor de personeelswerving. Vandaag komt het – naast opleiding – vooral aan op kwaliteiten als zelfstandigheid, intelligentie, flexibiliteit en communicatieve vaardigheden. Uit een onderzoek naar personeelsadvertenties bleek dat dergelijke eisen in de loop der jaren sterk zijn toegenomen. Terwijl ze anno 1955 slechts in 17 procent van de advertenties vermeld werden, was dat in 1990 in 68 procent van de gevallen zo. Multiculturele maatschappij? Als het om betaalde banen gaat, gelden de normen van de middenklasse.

Dan het onderwijs. De overheid stelt vast op welke leeftijd en in welke mate kinderen in het bezit van welke vaardigheden moeten zijn. De school controleert door middel van cijfers en rapporten in hoeverre dat gebeurt. Het gebruik van een term als `onvoldoende' zegt al genoeg. Ze geeft aan dat de leerling onder een bepaalde norm blijft. Zo wordt in het onderwijs niet alleen geïnstrueerd maar ook permanent geselecteerd. Na de basisschool wordt dit proces alleen maar sterker. Er moet gekozen worden voor een profiel en daarbij horen bepaalde eindtermen. In het hogere beroepsonderwijs of de universiteit gaat het niet anders toe. Nederlandse jongeren brengen een groot deel van hun tijd met deze vorm van topsport door. Ze lopen een permanente race waarbij ze op een door de overheid bepaald moment een door de overheid bepaalde horde moeten nemen. Hoezo een multiculturele maatschappij? In het onderwijs vormt de meerderheidscultuur de zeef waarop leerlingen geselecteerd worden.

Het gaat op school niet alleen om de cognitieve vorderingen van het kind, maar ook om de houding tegenover anderen en zijn persoonlijke ontwikkeling. Bovendien krijgt de cultuur van het leren als zodanig meer gewicht. De hedendaagse leerling moet nieuwsgierig zijn en zelfstandig kunnen werken. Als gevolg daarvan is de gezinsachtergrond van groot belang. Kinderen die van huis uit het nodige culturele en intellectuele kapitaal meekrijgen, vinden gemakkelijker hun weg door het hedendaagse onderwijs dan kinderen die alles zelf moeten doen. Ook in die zin is bekendheid met de meerderheidscultuur een belangrijk hulpmiddel voor succes op school.

Nederland is geen multiculturele samenleving. In het gezinsleven, het onderwijs of het bedrijfsleven – maar evengoed in sectoren als het openbaar bestuur of de gezondheidszorg – hebben wij te maken met een heersende cultuur. Het is de cultuur van tamelijk welvarende, democratische en hoog opgeleide burgers. Wie zich onvoldoende aan de regels en normen van deze middenklasse houdt, wordt weliswaar gedoogd maar telt niet volwaardig mee. En wie zich helemaal niet aan die regels houdt, valt ten prooi aan culturele uitsluiting.

Tegen deze achtergrond wordt duidelijk waarom de positie van allochtone jongeren vaak problematisch is. Ze zijn veelal groot geworden in een andere gezinscultuur dan die van het modale Nederland. Weliswaar bewegen bijvoorbeeld Marokkaanse gezinnen zich qua opvoeding in de richting van het hier heersende model, maar die afstand is nog lang niet overbrugd. Het is dan niet vreemd dat bepaalde jongens zich aan asociaal gedrag bezondigen, zoals het lastigvallen van meisjes in zwembaden. De hoge mate van zelfbeheersing die de meeste Nederlanders in een dergelijke situatie normaal achten, brengen zij kennelijk niet op. Op school doen zich vergelijkbare problemen voor. Een beperkte woordenschat heeft onvermijdelijk gevolgen voor het basisonderwijs. Hoewel hun achterstand qua Nederlands een relatieve is, halen veel allochtonen leerlingen die nooit meer in. Vergeleken met de eerste generatie bereiken jongeren van de tweede generatie een hoger onderwijsniveau. Maar de moeilijkheid is dat het onderwijsniveau van hun autochtone leeftijdsgenoten sneller stijgt, met als gevolg dat de allochtonen toch op achterstand blijven staan.

En zelfs wanneer ze wèl tot het opleidingsniveau van de autochtonen bevolking doordringen, trekken ze vaak aan het kortste eind. Dat komt omdat allerlei sociaal-normatieve eigenschappen op de arbeidsmarkt belangrijker geworden zijn. Een en ander illustreert dat het proces van sociaal-culturele normering en uitsluiting geen academische verzinsels zijn. Het zijn harde realiteiten waar menig Nederlander mee te maken heeft en die voor allochtone jongeren vaak bijzonder pijnlijk uitpakken.

Het beeld van Nederland als multiculturele samenleving is oppervlakkig en wetenschappelijk onvoldoende onderbouwd. Maar het is vooral oneerlijk tegenover degenen die zich van buiten een plaats in de Nederlandse maatschappij willen verwerven. In plaats van de schijn te wekken dat er geen strikte normen zouden zijn, moet duidelijker worden aangegeven welke regels in het gezinsleven en op school, in het bedrijfsleven en op straat door de meerderheid worden gevolgd. Niet omdat die regels `beter' zijn, maar omdat de wet van de grote getallen in elke maatschappij haar werk doet.

DISCUSSIEwww.nrc.nl