La Primavera

Voor Remco Campert begint nieuw leven met de eerste wielerklassiekers. Ik weet niet of het de dichter te doen is om de benen van de jongens of om het zachte ruisen van een uitgeworpen stuurlint dan wel om het antieke woord dat met het peloton meefietst. Milaan-Sanremo in taal gevat, als toegang tot hemzelf. Misschien concurreert hij wel met de zegezangen van Pindaros. Dichters houden van archaïsche lyriek. En jawel: de Cipressa, de Poggio, het bos van Wallers, het patershol, de Muur van Geraardsbergen, het zijn stuk voor stuk `schitterende brokstukken van poëtische bouwwerken'.

Mij gaat het om de ambiance. Om de hitte van de mens die in de mollige menigte van het peloton toch anders is dan in een beleggersclub. Om de radeloosheid bij geboorte die in iedere wielrenner schuilt. Alleen jongens van het kleinste dorp, van de kleinste terp zie je later terug op de fiets. Slippend en spattend jumpen ze zich de grote wereld in en, daar aangekomen, wreken ze hun komaf met een onvoorstelbaar talent voor afzien waar de bourgeoisie niet van terug heeft. Jongens zonder zwem- en verkeersdiploma, die nooit het geluk van een erotiserende Indonesische tekenlerares hebben gekend. Maar fietsen kunnen ze, dood en gelukkig komen ze over de meet.

Milaan-Sanremo heeft nog steeds de magische klank van vijftig jaar geleden. Vergeleken met de Primavera is de Champions League een orgie van verkitsching van traditie en verleden. Dat kom je in het wielrennen niet tegen. Jawel, de voetriempjes zijn ingeruild voor Look-pedalen; de schreeuwerige tricots smeken om verscheurd te worden van smart; de pothelmen verminken rennersgezichten tot een grimas waarin niet meer te lezen staat hoe het ware leven door het gezicht trekt. Maar de geur van masseerolie is gebleven, en Michael Boogerd is niet minder relict dan Felice Gimondi. Rik van Looy heet nu Jalabert en Vainsteins klinkt als Jan Raas, verder is alles hetzelfde gebleven. Door de pedaalslag van Museeuw, de binnentaal van Van Petegem, en de trieste nevel die na de nederlaag over Cipollini hangt, schemert de glorie van Coppi en Anquetil. Wielrenners zijn de enige bezielde DNA-wezens die hun erfenis niet uitwonen. Leve het leven, zoals het was, is en zal zijn.

Er waren de laatste tijd een paar misverstanden. Hein Verbruggen dacht dat hij de wielersport moest mondialiseren. Daar heb je geen renners voor nodig, daar is Internet voor. Edoch: er werden rondjes georganiseerd in Zuid-Afrika, China en Maleisië. Ooit werd het WK in Bogotá gereden. Dé vloek van een vorige eeuw. Bogotá is een perfecte oase voor het WK-buikdansen, maar wielrenners hebben daar niets te zoeken. Het wielrennen is van Europa. Waar de dorpen nog uitlopen voor de mannen op de fiets. Waar je in het geploeter door karrensporen, in de ombarmhartigheid van kasseien, in beslijkte armen en benen elk voorjaar weer de oorlog ziet voorbijkomen. En waar elke helletocht wordt besloten met drank en hitsige fanfares.

De betekenis van de wedstrijd wordt gedwongen door rituelen van heimwee. Niets is irrationeler dan `goeie benen'. De vorm van de dag heeft voor wielrenners een sacramentele bijklank. Tussen de Cipressa en de Poggio denken de potentiële winnaars aan de zadelzit van Eddy Merckx, toen die won, aan de pedaalslag van Moreno Argentin, aan de woede in het gezicht van Francesco Moser, aan de gelukkige slaap van Joop Zoetemelk. Wie naast hen fietst, maakt niet uit. Iedere kampioen heeft zo zijn kroongetuige uit het verleden, en daarmee een ontleende autoriteit. Over generatiegenoten wordt niet of nauwelijks gesproken: bijgeloof. Van Petegem hoor je niet over Museeuw, Bartoli niet over Vandenbroucke. Helden in de wielersport gaan heel lang mee.

Koningen van de klassiekers zijn er in Nederland niet meer. Boogerd zit vandaag thuis achter zijn televisiescherm. Milaan-Sanremo is voor hem te veel een vluchtkoers, liet hij de ploegmaats schaterend weten. Van Bon heeft een trainingsachterstand, Dekker een elleboog in het gips en de renners van Farm Frites zijn door het bekakte despotisme van ploegleider Teun van Vliet zo gedemoraliseerd dat ze smeken om lekke banden, gebroken frames en stuurvorken, slippende volgwagens. Zij willen niet winnen, of het zou per toeval moeten gebeuren.

Dan maar met de oude Andrei Tsjmil in een glansrol op de Poggio. Of de jonge Oscar Freire. De Primavera blijft mijn homeopatisch medicijn tegen de arrogante kilte van een avondje Champions League. Puur natuur.