Kalf

Scènes uit het leven van een Texas Ranger — ze noemen hem Jake, maar je merkt aan alles dat het John Wayne is, de man met het verkreukelde gezicht, de man met de marmeren stem, de man met de stijfste heupen uit de geschiedenis van Hollywood.

Op zeker moment zie je hem het terrein van een kleine ranche oprijden (in het voorbijgaan: een rood kalfje, dat staat te drinken bij een zwartbonte koe). Als hij van zijn paard stijgt, rent een schattig meisje hem tegemoet. Haar moeder kijkt glunderend toe. Zij belichaamt de beschikbare weduwe. Stijve heupen geen bezwaar.

De man komt zeggen dat de streek onveilig wordt gemaakt door bandieten, dat ze er verstandig aan doen de ranche een tijdje te verlaten — in feite komt hij ze evacueren. Je ziet hem een platte wagen in gereedheid brengen. Je ziet hem sjouwen met huisraad en een krat met kippen. Je ziet dat hij het kalf is gaan halen.

Het dier wil niet erg. Hij zet zich schrap, maar de man sleurt hem zonder pardon mee. Onwilekeurig vraag je je af wie het is die daar zo onbarmhartig te werk gaat: die Jake, die nu eenmaal met een zeker mannelijkheid moet worden neergezet, of John Wayne zelf, die zich niet door een kalf uit zijn rol wil laten spelen.

Uiteindelijk zie je, vanuit een hoog camerastandpunt, de wagen wegrijden in een weids landschap. En in een flits het rode kalf. Hij wil nog steeds niet erg, hij probeert zich hoofdschuddend los te rukken.

Hier word ik vrolijk van en als je me nou vraagt hoe dat komt: door de aanstekelijke werkelijkheidszin van een dier.

Film of geen film, daar heeft dat kalf geen boodschap aan. Hij wil niet aan een touw, hij wil niet achter die wagen, hij verdomt het. Natuurlijk, hij zal zijn verzet weldra moeten staken, straks zal hij het heus wel op een drafje zetten, maar hij laat zich door niemand wijsmaken dat hij niet meemaakt wat hij meemaakt.

Nu nestel ik mij nog wat behaaglijker op de bank; ik heb mijn held gevonden.