Japans oorlogsverleden is niet heroïsch

In Japan beroept men zich te vaak op een interpretatie van het oorlogsverleden die men maar beter zo spoedig mogelijk voor eens en voor altijd kan begraven, vindt Dick Stegewerns.

Het artikel van columnist Masayuki Takayama van de Sankei Shinbun (opiniepagina van 8 maart) toont aan waarom het vaak onmogelijk is serieus in te gaan op de spraakmakende publicaties over het oorlogsverleden in deze Japanse krant. Over het algemeen spreiden deze een schrikbarend gebrek aan historisch besef ten toon, waarmee men de interpretatie van de moderne geschiedenis van Oost-Azië weet terug te brengen tot het niveau van de Japanse propaganda ten tijde van de oorlog.

De vele onjuistheden in het stuk van Takayama betreffende de periode 1941-1945 worden in deze reactie ter zijde gelaten. De nadruk ligt op de manier waarop Takayama de vooroorlogse situatie en daarmee de aanloop tot de oorlog in het gebied van de Stille Oceaan beschrijft. Het is namelijk bij de verwerking van deze periode dat de fundamentele reden ligt voor het immer voortdurende Japanse isolement in Oost-Azië.

Er is nog wel iets te zeggen voor Takayama's opvatting dat Japan de oorlog begon als gevolg van ,,de wurgende omsingeling door Amerika, Groot-Brittannië, China en Nederland'' en dat deze oorlog in principe ,,een strijd was om Azië terug te brengen in handen van Aziaten'', maar alleen dan wanneer men doet alsof de jaren 1931-1941 niet hebben bestaan.

Japan stortte zich in 1931 met de bezetting van Mantsjoerije in een Chinees avontuur waarvan velen in die tijd al wisten te voorspellen dat het via de omweg van Pearl Harbour tot de vernietiging van Japan zou leiden. Het idee dat een totale oorlog met China te vermijden dan wel te winnen zou zijn bleek een utopie. Japan moest steeds grotere omtrekkende bewegingen maken in de hoop de Chinese toevoerlijnen af te snijden, maar hierbij vond het onvermijdelijk de Westerse landen op zijn weg die niet wensten mee te werken aan de Japanse agressie.

In plaats van eindelijk toe te geven dat het Chinese avontuur van begin af aan tot mislukken gedoemd was en de enige zinnige oplossing een langzame terugtocht was, besloot men dit roemloze lot enige jaren uit te stellen door de onderbemande Westerse koloniën in de regio te bezetten. Om het falen van de oorlog met China, die officieel tien jaar lang als `een incident' verkocht was, te verhullen werd deze voor het gemak gewoon opgenomen in de `anti-kolonialistische' Grote Oost-Aziatische Oorlog. Als men meegaat in deze retoriek en de oorlog pas in 1941 laat beginnen, kan men met het volkomen belachelijke idee komen dat Japan het slachtoffer was van een wurgende omsingeling door China.

Het beeld dat ten tijde van de oorlog maar ook nu door Takayama en andere zelfbenoemde 'liberalen' is geprojecteerd van een Japan dat opkwam voor de onafhankelijkheid van de Aziatische broeders is ook niet in overeenstemming met de historische feiten. Japan heeft zich inderdaad in 1918 opgeworpen als voorvechter van rassengelijkheid, maar hier passen de nodige kanttekeningen. Het land kwam pas in actie nadat het zelf in toenemende mate geconfronteerd werd met anti-Japanse maatregelen in de Verenigde Staten, maar daarvoor had het zijn mond niet open gedaan over identieke regelgeving gericht tegen Chinese immigranten.

Het Japanse koloniale beleid in Taiwan en Korea had ook weinig met nobele pan-Aziatische gevoelens van vrijheid en gelijkheid te maken, en de ware gevoelens onder de Japanse bevolking over Aziatische broederschap kwamen treffend tot uiting in de massamoord op Koreaanse allochtonen in 1923. Het zal dan ook niet verbazen dat het voorstel voor rassengelijkheid dat Japan in 1919 op de Vredesconferentie indiende niet een halszaak was waar men zijn hart aan had verpand. Het was een onderhandelingswapen dat men uitspeelde om de eisen inzake de Japanse positie op het Chinese schiereiland Shantung veilig te stellen.

Het voorbeeld van de opium dat Takayama noemt om aan te tonen dat Japan zich belangeloos inzette om de Aziatische volkeren van het Westerse imperialistische juk te bevrijden, is wel erg schrijnend in het licht van de grootschalige opiumhandel die het Japanse leger opzette in de bezette gebieden in China. Maar de meest basale kennis van de grootschalige agressie van Japan tegen China in de jaren dertig zou elke Japanner al moeten doen inzien dat men zich onmogelijk kan beroepen op een welgemeende bijdrage aan `een groot ideaal van vrijheid voor alle Aziatische landen'.

De Japanse opvatting over de oorlog verhult niet alleen de ware Japanse motieven achter de Pacific War, maar ontneemt het zicht op de vijftienjarige oorlog waarvan de strijd in het gebied van de Stille Oceaan slechts het afsluitende hoofdstuk was en waarvan het voornaamste bestandsdeel een agressieve oorlog van Japan tegen China was.

Het niet ingecalculeerde maar belangrijkste resultaat van de eis van premier Kok aan diens Japanse ambtgenoot Obuchi is dat de Nederlandse regering, voornamelijk onder binnenlandse druk, nog eens met de neus gedrukt werd op de weinig gelukkige verwerking van enkele zwarte pagina's uit de eigen geschiedenis. Dit is echter niet de ,,kleine opening in de muur die wederzijds begrip tegenhoudt'', waar Japan zich volgens Takayama op zou moeten richten.

Japan heeft zijn eigen koloniale pagina's (onder andere Korea) en een nog veel zwartere pagina waar het om China gaat. Gezien Japans geografische ligging is het schrijnend dat het de vele kansen niet heeft benut tot emotionele verzoening te komen met deze landen. Indien Japan echt de ambitie heeft tot een geaccepteerd lid van een Aziatische gemeenschap uit te groeien, heeft het de hoogste prioriteit het eigen oorlogsverleden nog eens goed onder de loep te nemen. De heroïsche interpretatie van Takayama is namelijk om te beginnen in de Aziatische buurlanden van Japan niet te slijten.

Dick Stegewerns is onderzoeker moderne Japanse geschiedenis aan de Universiteit Leiden.