Japan 4

In het geharrewar omtrent de excuses die Japan aan Nederland zou moeten maken wordt het volgende over het hoofd gezien.

De Japanse bezetting van Indonesië vormde niets dan het sluitstuk van een expansie die onder expliciete toestemming van het Westen in het eerste decennium van de twintigste eeuw in gang was gezet, met de geleidelijke kolonisatie van Korea.

In het Taft-Katsura Akkoord van 1905 erkenden de Verenigde Staten de Japanse belangen in Korea in ruil voor de Japanse belofte van niet-inmenging in de Filippijnen. Kort daarna beloofde Japan het Engelse bestuur over India te steunen, en kreeg in ruil evenzeer erkenning van zijn belangen in Korea als bruggenhoofd in de oorlog tegen Rusland. Aldus werd de eeuwenlange Koreaanse onafhankelijkheid in een vloek en een zucht opgeofferd aan de westerse koloniale belangen.

In 1907 vond te Den Haag de tweede Wereldvredesconferentie plaats. Bij die gelegenheid meldden zich drie Koreaanse gezanten aan als officiële deelnemers. De voorzitter van de conferentie ontzegde het drietal de toegang, met het argument dat Korea niet eens recht had op onafhankelijke diplomatieke vertegenwoordiging. Het drietal bracht de wereld op de hoogte van de schandelijke wijze waarop Japan zich reeds uit en te na in Korea aan het ingraven was. Geen enkel westers land greep in, ook Nederland niet.

Het is een interessant punt van onderzoek of niet ook Nederland en Japan bij die gelegenheid tot een onderhands akkoord gekomen zijn, waarbij de Nederlandse belangen in Indonesië veilig leken gesteld door een belofte van niet-inmenging in Korea.

Het is op zijn minst ironisch te noemen dat nu vanuit dezelfde stad waar de basis werd gelegd voor de Japanse expansie, een roep om Japanse excuses moet weerklinken. Het zijn de westerse koloniale machten van destijds die excuses zouden moeten aanbieden aan Korea, en aan alle andere landen die in het zog daarvan door Japan zijn bezet.