Hollands Dagboek: Jeanne Roefs

De internationale gemeenschap laat de kinderen van Irak aan hun lot over, vindt het Unicef-kantoor in Irak. Jeanne Roefs, werkzaam voor Unicef Nederland, was de afgelopen week ter plekke. Zij is 47 jaar oud, niet getrouwd en heeft geen kinderen.

Woensdag 8 maart

Irak. Geleidelijk raak ik gedeprimeerd van de aanblik van vervallen huizen, de sjofele inrichting van openbare gebouwen, wegen vol gammele auto's en het zwerfvuil in de straten. Maar het komt ook door alle informatie van de afgelopen dagen. Van kale cijfers over ondervoeding, nostalgische verhalen over hoe goed het vroeger allemaal was, tot de tirade van een kinderarts over de gebrekkige levering van medicijnen.

In een razend tempo krijg ik inzicht in de situatie van kinderen en vrouwen in Irak. Die is allesbehalve rooskleurig. Om de door het VN-embargo ontstane humanitaire nood te lenigen, mag Irak sinds eind 1996 elke zes maanden olie ter waarde van zo'n vijf miljard dollar exporteren om voedsel en medicijnen te kopen. Organisaties van de VN houden toezicht op de aankoop van goederen en de distributie ervan. Unicef heeft in Irak de taak toezicht te houden op de distributie van water en sanitaire voorzieningen, onderwijs, gezondheidszorg en voeding van kinderen.

Op uitnodiging van het kantoor van Unicef ben ik met collega's van vijf andere nationale comités een week in Irak om projecten te bezoeken. Na een paar dagen Bagdad zijn we gisteren aangekomen in de zuidelijke havenstad Basra. 's Ochtends bezoeken we een gloednieuwe school in een dorpje buiten de stad. Vijftig meter verderop staat de oude school, krakkemikkig, met gaten in de lemen muren en een dak van halfvergane palmbladeren, waarin je nog geen beest zou stallen. De helft van alle scholen in Irak verkeert in beroerde staat, omdat er al tien jaar niks is gedaan aan onderhoud of nieuwbouw. In een school in Bagdad zaten kinderen met zijn vieren in bankjes voor twee geperst, waren de latrines kapot, en wordt de speelplaats in de winter overstroomd door rioolwater.

Ondanks het gratis voedselrantsoen voor elk gezin is in het centrum en zuiden van Irak een op de vijf kinderen ondervoed. Het kinderziekenhuis in Basra heeft 50 bedden voor ernstig ondervoede kinderen en die zijn allemaal bezet. Kinderarts Firas Abdu Al-Abbas leidt ons rond. Een tenger babytje ligt met wijdopengesperde ogen naar adem te happen. Ishan Basim, vier maanden oud, weegt nog geen 3,5 kilo en heeft longontsteking en diarree. Ik heb behoefte de moeder en haar kind het beste te wensen, maar de arts helpt me ruw uit de droom. Hij geeft het kind weinig kans. De dokter is woedend. Het ziekenhuis zit al dagen zonder voeding en medicijnen. Hoe kan hij deze ondervoede kinderen dan weer op krachten krijgen?

Gesprekken 's middags met plaatselijke autoriteiten gaan allemaal over vroeger. Toen was Irak nog heel goed in staat om voor zichzelf te zorgen en stonden gezondheidszorg en onderwijs op een hoog peil.

Vroeger is voor de oorlog tegen Iran in de jaren tachtig – die hier de eerste oorlog wordt genoemd – en de Golfoorlog. Vroeger is vooral vóór het ingaan van het embargo. Maar als ik vraag wat de regering naast de olie-voor-voedselprogramma's nog investeert in sociale voorzieningen krijg ik geen antwoord.

Donderdag

Op de terugweg naar Bagdad tankt de chauffeur 45 liter benzine, waarvoor hij maar 900 dinar hoeft te betalen. Een volle tank voor iets meer dan een gulden! Drinkwater in flessen is aanzienlijk duurder. Op veel plaatsen in Irak is dat het enige betrouwbare water. Irak heeft op zichzelf een modern systeem voor drinkwatervoorziening en riolering, dat niet onderdoet voor Europa. Alleen is er al tien jaar niet meer in geïnvesteerd en dat begint zich te wreken. Via het olie-voor-voedselprogramma kunnen er wel nieuwe onderdelen worden besteld zoals pompen en controlepanelen, maar er is geen geld voor installatie en onderhoud. En dan is er nog het personeelstekort, net als in de gezondheidszorg en het onderwijs. Ambtenaren verdienen tussen de 3.000 en 5.000 dinar per maand, dat is zo'n vier tot zeven gulden. Daar kan niemand van rondkomen. Een kilo rijst kost 350 dinar, een kilo rundvlees 3.000, een maand huur voor een huis in Bagdad 25.000 dinar. Ambtenaren hebben dan ook tal van bijbaantjes of zoeken beter betaald werk. Ook twee van de chauffeurs die ons deze week rondrijden zijn hoog opgeleide ingenieurs.

Vrijdag

Om 8 uur worden we opgehaald voor de reis naar de noordelijke provincie Erbil in Iraaks Koerdistan, dat sinds 1991 een autonoom bestuur heeft. Erbil, een stad van zo'n 600.000 inwoners, lijkt wel een dependance van de VN. Overal staan borden die verwijzen naar WFP, FAO, UNESCO, Unicef en tal van andere minder bekende VN-organisaties. In de Koerdische provincies is de VN verantwoordelijk voor de uitvoering van het olie-voor-voedselprogramma en blijkbaar willen alle organisaties heel duidelijk laten zien wat ze doen. Om veiligheidsredenen zijn alle VN-organisaties ondergebracht in één wijk; ook alle buitenlandse stafleden wonen daar. Op het Unicef-kantoor krijgen we eerst veiligheidsinstructies. We krijgen allemaal een radio en een persoonlijke code. Op een afgesproken tijdstip krijgt iedereen een oproep. Als je je persoonlijke code hoort, moet je melden dat je nog leeft. Ik vind het net iets uit een film, maar stop braaf de radio in mijn tas.

Met het aandeel uit het olie-voor-voedselprogramma wordt in het noorden keihard gewerkt aan het herstel van de infrastructuur. Omdat de VN hier de uitvoering doet, mag er wel geld gereserveerd worden voor herstel en wederopbouw en de opleiding van mensen. Dat maakt alle verschil. Sinds 1997 worden in hoog tempo scholen opgeknapt of herbouwd, gezondheidscentra bevoorraad, centra voor groeicontrole opgezet en en waterpompen geïnstalleerd. We zijn volgens de veiligheidsvoorschriften voor donker terug in een klein guesthouse. Om twaalf uur waarschuwt de beheerder dat over een half uur de generator uitgaat. In het hele land is de elektriciteit op rantsoen, maar het noorden heeft maar één uur per dag stroom.

Zaterdag

Vandaag rijden we langs projecten in de provincie Erbil. We bezoeken een gezondheidscentrum, een groeicontrolepost in het huis van de geestelijk leider van een klein dorpje in de bergen, en een waterproject in weer een ander dorp. Tussendoor brengen we een beleefdheidsbezoek aan de gouverneur van Erbil. Wat opvalt is het grote verschil in sfeer met het zuiden van Irak. Daar heerst apathie, lijken mensen lamgeslagen. In het noorden heerst bedrijvigheid, er wordt overal volop gebouwd. Het leeft en bruist hier.

Tegen vier uur houden we een snelle picknick op een terras, waar we worden opgewacht door mensen van het Unicef-kantoor in Suleimanya. Volgens de veiligheidsvoorschriften moet er altijd met twee auto's gereden worden. Samen met de drie auto's waarmee we uit Bagdad zijn gekomen vormen we nu een indrukwekkend konvooi. Niet de beste uitgangspositie voor ongedwongen contacten met de plaatselijke bevolking. Ik troost me met de gedachte dat de kinderen in de plaatsen die we bezoeken tenminste de dag van hun leven hebben. Want wij vormen voor hen minstens zo'n grote bezienswaardigheid als zij voor ons.

Ook in Suleimaniya is de VN alomtegenwoordig. Het eerste dat opvalt als je de stad binnenrijdt is een enorme loods van het Wereld Voedsel Programma. Van daaruit wordt graan gedistribueerd over het hele district. Het kan toch niet goed zijn dat een heel land afhankelijk wordt gemaakt van voedselleveranties van buitenaf. De lokale voedselproductie is flink teruggelopen door de gratis distributie. Hoe moet dat als er ooit een einde komt aan het olie-voor-voedselprogramma?

Zondag

Vandaag gaan we naar Penjween, vlakbij de grens met Iran. Tijdens de oorlog met Iran en tijdens de opstand van de Koerden tegen de regering zijn hier honderden dorpen met de grond gelijk gemaakt. Waar eens huizen stonden ligt niet meer dan een dikke laag stenen. De dorpen worden weer opgebouwd, maar lang niet alle inwoners komen terug. De toekomst is te onzeker. In het dorpje Kani Manga bezoeken we een schooltje om een indruk te krijgen van het voorlichtingsprogramma over landmijnen. In dit berggebied dat de grens vormt met Iran liggen nog overal mijnenvelden. Nog steeds vallen er slachtoffers. Het schoolhoofd vertelt dat twee maanden geleden nog een jongen uit het dorp een been verloor door een ongeluk met een landmijn. Vlak voor Penjween staan de rode driehoekjes met doodshoofd die waarschuwen voor mijnen zelfs pal naast de weg.

Aan het eind van de dag gaan we nog even naar de markt. Het ziet zwart van de mensen. Veel mannen lopen in militair tenue of dragen wapens. Een man ruikt aan een bosje bloemen. Er zijn hier overal boeketjes kleine, geurige narcisjes te koop. Ook de chauffeur heeft een bosje gekocht voor in de auto.

Maandag

Op de terugweg naar Bagdad gaan we langs bij een behandelingscentrum voor gehandicapte kinderen. Voor 1997 was deze vorm van zorg in de hele regio niet beschikbaar. Er waren veel verborgen patiëntjes, vooral in afgelegen dorpen. Geen wonder dat de wachtkamer stampvol zit.

Om half drie zijn we terug in de hoofdstad. We laten ons afzetten in de oude stad om de el-Monstanseriya en de beroemde el-Rasheed straat te bekijken en wat cadeautjes te kopen voor thuis. Om half zes worden we op het Unicef-kantoor verwacht voor een debriefing (Ik heb het jargon inmiddels helemaal te pakken). Het is duidelijk dat het kantoor hoopt op financiële steun vanuit de internationale gemeenschap. Van de 25 miljoen dollar die nodig zijn voor uitvoering van het reguliere programma de komende twee jaar, is amper 5 miljoen binnen. De hele wereld schijnt te denken dat met het olie-voor-voedselprogramma de nood in Irak is gelenigd. Zo'n 5 miljard dollar per half jaar lijkt ook een smak geld, maar het is maar een fractie van wat de regering vroeger zelf in alle voorzieningen investeerde. Sinds 1990 daalde het bruto nationaal product per hoofd van de bevolking van 3.500 dollar tot zo'n 700 dollar. Door de ongelijke verdeling van de olie-voor-voedselrevenuen is dat in het centrum en zuiden zelfs maar 450 dollar.

Het gesprek eindigt zoals het tien dagen geleden begon: over de sancties. Sinds het opstappen van de coördinator van het humanitaire programma Hans von Sponeck is de discussie over de rechtvaardigheid van de sancties weer hoog opgelaaid. Unicef zal niet expliciet pleiten voor opheffing van de sancties. Die beslissing is aan de Veiligheidsraad. Maar wat de internationale gemeenschap ook besluit, kinderen mogen nooit de dupe worden. Bij elke beslissing moet worden afgewogen wat de gevolgen zijn voor kinderen. Rapportage over hun situatie is dan ook een belangrijk onderdeel van het werk in Irak.

Dinsdag

Om 7 uur staan er twee auto's klaar voor de lange terugreis naar Amman. Als we Bagdad uit rijden herinner ik me hoe verbaasd ik was toen ik hier aankwam. Aan een groot deel van de stad is totaal niet af te zien dat het land in zo'n diepe crisis verkeert. Op het eerste gezicht lijkt Bagdad een bloeiende, welvarende stad, vol restaurants en winkels waar alles te koop is. Wat doe ik hier, was mijn eerste gedachte. Inmiddels weet ik wel beter.

Woensdag 15 maart

Om half 7 landen we op Schiphol. Toch kans gezien om een paar uur te slapen. Thuis heeft een zorgzame vriendin bloemen neergezet en bruinbrood en kaas gehaald. Ik zou nu mijn tas moeten uitpakken, de was doen, rust nemen! Maar de computer in mijn hoofd laat zich nog niet uitzetten. Ik werk uren aan mijn aantekeningen.

Een tenger babytje ligt met de ogen wijd open naar adem te happen

Een tank benzine kost een gulden. Drinkwater is aanzienlijk duurder