Het land van Als

Congo had een Hof van Eden kunnen zijn, maar onder Mobutu is het land het armenhuis van Afrika geworden. Zijn opvolger Kabila heeft Congo in een burgeroorlog gestort, de herkansing is voorbij. `Onze regering zorgt voor niemand.'

Congo loopt zich te pletter. Overal waar je kijkt in deze door oorlog gespleten natie, deinen zwijgende mensenmassa's langs de wegen. Van de vroege ochtend tot de late avond. Eindeloos.

Ambtenaren slepen zich naar hun vervuilde, vervallen kantoren. Boeren trekken naar de markt, of naar een transporteur die hun waren kan vervoeren. Kruimelhandelaren stropen de straat af op zoek naar de klant die hen in staat stelt ook deze dag weer te overleven. Dan heb je ook nog de duizenden, tienduizenden vluchtelingen uit het bezette oosten. Landgenoten, lotgenoten, zeker. Maar ook indringers, meeëters. Voor de oorlog op de loop.

Wie niet loopt, heeft de hoop op vervoer nog niet verloren. Hij beschikt nog over de schamele Congolese francs om het schaarse vervoer te kunnen betalen. Ondanks een recente verdrievoudiging van de prijzen. Sissend, zwaaiend staat hij in de berm om de aandacht van bestuurders te trekken die hun propvolle wrakken van vrachtwagens, busjes en personenauto's langs de diepste kuilen laveren. Congo, een land zo groot als West-Europa, heeft niet meer dan 1.200 tot 2.500 km aan geasfalteerde wegen, de schattingen variëren. En zelfs die wegen zijn door schade en slijtage slecht begaanbaar. De reis van de hoofdstad Kinshasa naar Matadi aan de grens met Angola – 365 km over Autoroute 1 – vergt in een jeep meer dan negen uur, in een truck al gauw veertien uur.

Een haveloze man smeekt om een lift bij de automobilisten die voor een stoplicht staan te wachten in de ambassadewijk Gombe van Kinshasa. Hij jammert dat hij ,,anders in grote problemen komt''. Een bestuurder van een Mercedes buigt zich uit het portierraam om hem een levensles te geven. ,,Arme mensen hebben geen problemen. Alleen rijken hebben problemen. Armen hebben maar één probleem: dat is eten.'' Als de auto wegspuit, verweert de haveloze man zich nog zwakjes. ,,Twee problemen'', zegt hij tegen niemand in het bijzonder. ,,Eten én transport.''

Welkom in `het land van Als', die potentiële superstaat in het hart van Afrika waar het leven mooi had kunnen zijn. Als de Belgen het land van de onbeperkte mogelijkheden niet zo slecht op de onafhankelijkheid hadden voorbereid. Als de Amerikanen en Fransen niet 32 jaar lang de gehate dictator Mobutu hadden gesteund, zodat hij het land kon leegroven en terroriseren – wat hem zeven miljard dollar heeft opgeleverd. En als de wederopbouw van Congo, voorheen Zaïre, niet negentien maanden geleden door de oorlog was getorpedeerd. Het armenhuis van Afrika zou een Hof van Eden kunnen zijn. Het land zou in overvloed kunnen baden, met zijn vruchtbare landbouwgronden, zijn goedkope waterkracht, zijn onbeperkte rijkdommen aan mineralen die alleen maar hoeven te worden gewonnen. Goud en diamanten, maar ook zink en koper, olie, germanium en wolfraam. Bodemschatten eindeloos.

Sensuele klanken

Sinds begin deze maand zwijgen de geweren in het land dat als strijdtoneel dient voor wat door de Amerikaanse VN-ambassadeur Richard Holbrooke als `de eerste wereldoorlog op Afrikaanse bodem' is omschreven. De strijdende partijen hebben een akkoord gesloten. Congo, Zimbabwe, Angola en Namibië aan de ene kant. Rwanda, Oeganda en drie rebellenorganisaties aan de andere. De Verenigde Naties sturen een waarnemersmissie die op de naleving van een bestand moet toezien dat als vitaal voor de politieke en economische stabiliteit van heel centraal en oostelijk Afrika wordt beschouwd.

Congo is hopeloos vastgelopen. Niet alleen het transport. Politieke instabiliteit, gebrek aan rechtszekerheid en de slepende oorlog houden investeerders en donors op afstand. Economisch beleid dat bedoeld was om de inflatie te beteugelen en de inkomsten van de staat te verhogen, werkte volstrekt averechts. Veel van de laatste fabrieken hebben de poorten het afgelopen jaar gesloten. Alleen de handel zorgt nog voor een nivellering van de armoe. Het overheidsapparaat functioneert niet, remt in plaats van oliet, is door en door corrupt.

,,Onze regering zorgt voor niemand'', zegt de 37-jarige José Puati-Baku. ,,Al het geld gaat naar de oorlog. Mijn hart doet elke dag pijn als ik zie hoe hoog de prijs is die we betalen voor deze broederstrijd.'' `Zwarte José' noemden ze hem in het Belgische Essen, vlakbij de Nederlandse grens, waar hij vijf jaar gewoond heeft. Na de organisatie van een staking was de grond hem te heet onder de voeten geworden in het Zaïre van Mobutu. Sinds het gehate staatshoofd drie jaar geleden werd verdreven, heeft José een klein transportbedrijf in de grensplaats Matadi. Grote moeite heeft hij om aan benzine, reserveonderdelen en lucratieve lading te komen. De zaken gaan slecht.

Drie jaar geleden danste Kinshasa op de sensuele klanken van de soukous-muziek toen Mobotu in allerijl zijn wingewest ontvluchtte. De nieuwe machthebbers onder leiding van Laurent-Désiré Kabila, gesteund door de nationale legers van Rwanda, Oeganda en Angola, werden bij hun intocht als bevrijders verwelkomd. Kostelijk Congo dat zijn onafhankelijkheid zo catastrofaal was begonnen, kreeg een herkansing. Het oude volkslied dat onder Mobutu was verboden, klonk weer door de straten: ,,Congolezen, sta op.''

Niets mocht meer aan het zwarte Mobutu-tijdperk herinneren. Het nationaal voetbalstadion Kamanyole, vernoemd naar de boot van Mobutu, werd omgedoopt in Stade des Martyrs, om de slachtoffers van de dictator te gedenken. In die hazelnootkleurige sporttempel liet Kabila zich op 29 mei 1997 als president installeren. De vroegere strijdmakker van de Argentijnse revolutionair Che Guevara proclameerde het einde van ,,veralgemeende corruptie, geïnstitutionaliseerde verduistering van geld, geweld, flagrante schending van de rechten van de mens, economische achteruitgang, de sociale en morele verloedering van de natie''. ,,Dit is het begin van een nieuw tijdperk: van de herdemocratisering en van de nationale wederopbouw. De Derde Republiek is aangebroken, met andere woorden, de antithese van de Tweede Republiek.''

Het nieuwe regime maakte een vliegende start. Kabila begon direct een kruistocht tegen de criminaliteit die onder Mobutu hoogtij vierde en bijdroeg aan de angst onder het volk. Voor het openbaar vervoer kocht hij een serie bussen. Hij beteugelde de inflatie en legde de prijzen van eerste levensbehoeften aan banden. Hij beloofde de eerste vrije verkiezingen in de geschiedenis van Congo: in april 1999. Ook lanceerde hij een driejarenplan voor herstel van wegen, elektrificatie van dorpen, modernisering van de landbouw en industrialisering.

Maar al binnen een jaar verzandde het nieuwe bewind in goede bedoelingen. De Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Madeleine Albright, had Kabila nog gewaarschuwd. ,,Een verdeeld, gedemoraliseerd, bankroet land'', had hij geërfd. Een land dat nog altijd was vergeven van de mouvanciers, de ritselaars die zich naar het voorbeeld van Mobutu verrijkten. Een land ook vergiftigd door jaren van systematische corruptie, le mal Zairois.

Kabila voelde zich in toenemende mate bedreigd door de oude elite en door zijn Rwandese bondgenoten die hem aan de macht hadden gebracht. Hij sprak niet eens de taal van de hoofdstad: Lingala. Dat versterkte zijn gevoel van onveiligheid. Uit zelfbescherming omringde hij zich met vertrouwelingen. Hij verbood alle politieke activiteiten. Hij saboteerde ook een onderzoek van de Verenigde Naties naar gruweldaden die zijn leger zou hebben gepleegd tijdens zijn opmars naar Kinshasa. De internationale gemeenschap keerde zich af van Kabila. De buitenlandse hulp die zo vitaal was voor de economische wederopbouw, bleef uit.

Over de machtsstrijd die zich in de zomer van 1998 afspeelde in Kinshasa, lopen de lezingen uiteen. Hoogwaardigheidsbekleders die tegen de regering aanleunen, beweren dat Rwandese adviseurs en militairen een staatsgreep voorbereidden tegen president Kabila, daarbij gesteund door Congolezen van Rwandese afkomst. Ze hadden de president een jaar geleden zelf naar voren geschoven bij de verdrijving van Mobutu omdat ze dachten hem als `marionet' te kunnen gebruiken. Maar Kabila ontpopte zich als een eigengereide nationalist die zo nodig een onafhankelijke koers moest volgen. Voor de Rwandezen dus de hoogste tijd voor een wisseling van de wacht.

De bedreigde president was zijn belagers net te snel af. Hij wees de Rwandezen het land uit. Hij noemde ze een bedreiging voor de nationale veiligheid. De Rwandezen hanteren een andere waarheid. Zij zeggen dat Kabila een hetze was begonnen tegen alle Tutsi's uit Rwanda en het oosten van zijn eigen natie. Ze vertellen dat hij het zelfs op een akkoord had gegooid met de Interahamwe, de gevreesde Hutu-milities die in 1994 bij de genocide in Rwanda een gruwelijke hoofdrol speelden. Uit zelfbescherming moesten Rwanda en Oeganda in augustus 1998 wel Congo binnenvallen om Kabila te verjagen, in samenwerking met Congolese rebellen. Dat zou gelukt zijn als de president niet op het laatste nippertje steun van Zimbabwe, Angola en Namibië had gekregen. Sindsdien is het land in tweeën gereten: het oostelijk deel waar Rwanda, Oeganda en de rebellen heersen, het westelijk deel dat door de regering en haar bondgenoten gecontroleerd wordt. Een land in gevecht met zichzelf.

Dierentuin

De democratische republiek Congo is in oorlog. Je merkt het aan de wegcontroles, bij elke stad, bij elke splitsing, op de route van Matadi naar Boma. Je ziet het aan de propagandafilms op de staatstelevisie, die oogstende boeren tonen na exercerende soldaten. Zoals je het ook afleest aan de propagandaposters in Kinshasa met de leus La Paix se gagne, `de vrede moet gewonnen worden'. Je hoort het aan de vreemde talen die officieren in gevechtspak spreken tijdens het ontbijt in hotel inter-Continental, de dollarfuik van Kinshasa. ,,Onze redders'', zegt een serveerster spottend, ,,uit Zimbabwe, Angola en Namibië.''

Maar de zes miljoen bewoners van Kinshasa, ver verwijderd van de fronten, voelen de oorlog nog het meest aan hun magen die nooit zijn gevuld. Het International Fund for Animal Welfare sloeg drie maanden geleden alarm omdat in de dierentuin van Kinshasa 150 van de 275 dieren door de honger zouden zijn gestorven. Een bericht dat door de directeur, dr. Marcel Bantu, in alle toonaarden ontkend wordt. Al zegt hij wel dat de 94 diersoorten ondervoed en slecht verzorgd zijn omdat de dierentuin nauwelijks nog geld heeft. De twee luipaarden in hun roestige kooien zouden dagelijks zes kilo vers vlees moeten krijgen. De meeste dagen moeten ze het met hooguit twee kilo stellen, vlees dat door de twee internationale hotels in de hoofdstad is beschikbaar gesteld. ,,Twee kilo is nog altijd meer dan de hoeveelheid vlees die mijn gezin van zes de afgelopen drie maanden heeft verorberd'', vertelt een van de oppassers in de diergaarde. ,,Wij zijn er slechter aan toe dan de dieren. Waarom maakt niemand zich er druk over dat wij aan het hongeren zijn?''

Richard Luka is computerspecialist bij het ministerie van Planning. Hij verdient zeventien dollar per maand, de helft meer dan de bewakers in de dierentuin en andere lagere functionarissen die op de loonlijst van de overheid staan. Formeel is de handel in buitenlandse deviezen streng verboden, en Luka ontvangt zijn salaris in Congolese francs. Maar in Congo rekent iedereen in waardevaste dollars, niet in de plaatselijk munt waarvan de koopkracht in onrustbarend tempo slinkt.

Volgens Luka kost een klein, slecht huis per maand toch zeker tien dollar. Daar komt twee dollar bij voor water en stroom. Voedsel voor zijn gezin met vijf kinderen vergt dagelijks nog eens drie dollar. Dan heeft hij het over één enkele maaltijd, van rijst: de goedkoopste vis, groenten en thee zonder melk. Zelfs als hij kleding en transport buiten beschouwing laat, komt hij per maand nog 25 dollar tekort. Zijn vrouw verdient wat bij met het venten van cola op een straathoek. Drie van zijn kinderen gaan de straat op met noten, wattenstaafjes, sigaretten per stuk. Soms springt een vermogend familielid bij.

Wat hem nog het meest bezwaart, is dat hij het schoolgeld maar kan opbrengen voor één van zijn kinderen: honderd Congolese francs per maand, drieëneenhalve dollar. Toch voelt hij zich bevoorrecht. De meeste van zijn landgenoten zijn minder gelukkig. Het jaarinkomen per hoofd van de bevolking bedraagt 120 dollar, nog geen drie kwartjes per dag. Minder dan de helft van de kinderen onder de vijftien gaat tegenwoordig naar school, schat UNICEF, het kinderprogramma van de Verenigde Naties. Volgens het World Food Programme (WFP) wordt één op de vijf bewoners, tien van de vijftig miljoen Congolezen, door ondervoeding bedreigd.

Dertig kilometer van de hoofdstad, midden in het Afrikaanse landschap, verheft zich een Chinese poort met grillige vormen. Vlak daarachter verrijst een immense pagode die uitkijkt over een lusthof van muurtjes en bruggen en rotsformaties. Eén van de vele grillen van de voormalige president Mobutu, in de jaren zeventig gebouwd door een Chinese commune. Monument van grootheidswaan.

De pagode is niet meer dan één onderdeel van het voormalige Domaine Présidentiel de N`sele. Het domein omvat verder een modelboerderij, een park, een recreatieoord met zwembad, een serie villa's en een congreshal waar Mobutu op 24 april 1990 het einde van de éénpartijstaat heeft afgekondigd. Waarna hij de invoering van de democratie nog zeven jaar traineerde voordat hij het land werd uitgejaagd.

In de bijgebouwen van de pagode huizen vluchtelingen. In het lusthof lopen kippen. Geen van de ornamenten, geen van de spectaculaire muurschilderingen heeft de beeldenstorm overleefd die hier ooit gewoed moet hebben. Het hele complex stinkt naar verval.

Vleiers en vazallen

Kort na zijn aantreden heeft Kabila een aantal van de gebouwen nog een nuttige bestemming gegeven. Het domein van Mobutu werd als opvangcentrum voor 2.500 straatkinderen gebruikt. Maar opeens was er geen geld meer, vertelt een van de soldaten die tegenwoordig in de gebouwen bivakkeren. ,,De oorlog'', zegt hij verklarend. ,,Ze hadden het te slecht hier. Geen eten. Ze zijn terug naar de stad gegaan.''

,,Onderwijs, gezondheidszorg, infrastructuur, alles moet wijken voor de oorlog'', zegt prof. Babana Phongi, hoogleraar farmacie aan de universiteit van Kinshasa. ,,Elke dag sterven er mensen omdat ze geen geld hebben voor de dokter. Laat staan voor medicijnen. Zonder geld ben je hopeloos verloren. In Congo krijg je niets voor niets.''

Drie maanden al heeft de hoogleraar geen salaris gekregen. Hoeveel bankbiljetten de regering ook laat bijdrukken, waarmee ze de inflatie almaar aanjaagt, ze heeft nog steeds te weinig geld. ,,Vrede moet er komen'', zegt Phongi. ,,Tot elke prijs.'' Maar hij zegt ook dat het nieuwe bewind de oorlog ten onrechte gebruikt als excuus voor alles wat er mis gaat. De president omringt zich te veel met onbekwame vazallen uit zijn geboorteprovincie Katanga. Hij luistert te veel naar vleiers en duldt geen oppositie. De regering voert een rampzalig economisch beleid.

Vrije verkiezingen zouden volgens Phongi misschien uitkomst kunnen brengen. Misschien. Tenminste, als die verkiezingen niet worden beheerst ,,door dezelfde oude mannen zonder visie die elkaar al decennialang de bal toespelen''. Oppositiefiguren als Etienne Tshisekedi en Antoine Gizenga. ,,Ze hebben altijd alles onderling geregeld'', zegt Phongi. ,,Politiek in dit land is van oudsher een inteeltzooi.''

,,Een land veranderen is als een mens veranderen'', zegt Phongi. ,,Dat kost heel veel tijd.''

In het oosten van het land dat door drie rebellenorganisaties en de legers van Rwanda en Oeganda wordt gecontroleerd, kan Kabila geen kwaad doen. Rwandezen en Oegandezen worden beschouwd als buitenlandse bezetters, onderdrukkers, profiteurs, die de Congolese rijkdommen komen stelen. Kabila wordt als de bevrijder, als nationale held gezien.

Maar in het gebied waar hij heerst, ,,is de populariteit van Kabila zonder twijfel beschadigd'', schreef het dagblad La Référence Plus vorige week. Het verwees naar de stroom van kritiek die het bewind vorige week oogstte tijdens de Consulation Nationale, een grootscheeps debat dat was opgezet door de gezamenlijke Congolese kerken. Slecht leiderschap, tribalisering van het staatsapparaat, schending van de rechten van de mens, illegale verrijking door bepaalde hoogwaardigheidsbekleders, incompetentie van ministers. Niet meer dan een greep.

De krant schreef ook dat Kabila een unieke kans heeft om het tij weer ten goede te keren. Het vredesakkoord dat de strijdende partijen vorige zomer in Lusaka sloten, is weer opgelapt nadat zich er aanvankelijk niemand aan bleek te houden. Een staakt-het vuren is op 1 maart ingegaan. Het akkoord voorziet verder in terugtrekking van buitenlandse troepen, ontwapening van milities en een nationale dialoog. Vrede en democratie liggen binnen handbereik als het bewind van Kabila bereid is om de macht te delen. Dan zou de gigantische economische potentie eindelijk benut kunnen worden. Welvaart in `het land van Als'.

Alleen rijken hebben problemen. Armen hebben maar één probleem: dat is eten

Richard Holbrooke sprak van `de eerste wereldoorlog op Afrikaanse bodem'