Doem van de schop

De ooit zo trotse winkelstraat die het Monopoly-bord haalde,' las ik in Het Parool van 16 maart. Het gaat over de Leidsestraat in Amsterdam en de volgende poging, nu ondernomen door Felix Rottenberg, om het verval te stuiten.

Na de eerste alinea staat dit stukje op een driesprong. Het kan verder gaan over Monopoly, de Leidsestraat of Felix Rottenberg. Monopoly is in 1934 bedacht door de werkloze Amerikaan Charles B. Darrow. Het was in het diepst van de Depressie, niemand had geld, en toen was daar opeens dit spel waarbij alles om mooie bankbiljetjes draaide. Daarmee kon je straten kopen, het duurste winkelcentrum, middelbare buitenwijken, hele achterbuurten, om dan je medespelers uit te mergelen als ze, door een slechte worp met de dobbelstenen, in jouw gebied waren terechtgekomen. Zoals de mensen in de Hongerwinter graag kookboeken lazen, zo hebben ze in de jaren dertig Monopoly gespeeld. Als ik verstand van geld en aandelen had, zou ik nu al zo'n spel bedenken, waarbij de spelers kunnen fuseren, onvriendelijk overnemen, declareren, bieden, overbieden, tot de eerste van stress en hebzucht uit elkaar is gespat. Die is de winnaar.

De Leidsestraat is, zo lang ik me kan herinneren, een oorzaak van Amsterdams gejammer. Eerst werden de fietsers door de auto's tegen het trottoir geplet, toen moest alle verkeer eruit en werd de middenstand boos, toen kwamen er te veel winkels van luchtvaartmaatschappijen, toen probeerden de stadswachten, vergeefs, de fietsers tegen te houden, toen werden de fietsers gedoogd, toen rukten de patat- en krokettenbranche op, toen verscheen de eerste paddowinkel. Op het Leidseplein had zich in het politiebureau een van de grootste instituten van het Amsterdamse blowwezen gevestigd. Daartegenover lag het knulligste ijsbaantje ter wereld. In de abri van de tramhalte vestigden zich alcoholisten. Van tijd tot tijd gingen straat en plein `op de schop'. Tot nu toe heeft niets geholpen. Ik wens Felix Rottenberg het allerbeste.

De Leidsestraat is niet de enige openbare ruimte waar zich een vooral Amsterdamse eigenaardigheid demonstreert: de tegenstelling tussen aan de ene kant de goede bedoelingen met een begin van uitvoering, en aan de andere kant de zorg, het onderhoud van het uitgevoerde.

Veel aangrijpender is dat op het ogenblik op het Museumplein te zien. Ook zo'n voorgeschiedenis. Daar lag een geweldig plan. Na een marathon van inspraakronden was het zo ver: de schop werd in de grond gestoken, de bijl aan de wortel van ter dood veroordeelde bomen gelegd. Er werden kuilen gegraven, groter dan de hoofdstad ze ooit heeft gezien. Intussen kreeg het Museum Van Gogh er een vleugel bij en het Rijksmuseum onderging renovaties.

Ik kom er iedere dag langs, ik twijfelde. Maar toen het klaar was, gaf ik me gewonnen en ik schreef een stukje met als kop Het is prachtig! Ik wilde niet zeuren over het `ezelsoor', het hellend dak boven de supermarkt. Dat daar een hekje zou komen nadat de eerste hond of toerist eraf gevallen was, stond als een paal boven water. Maar anderen hadden al de aandacht van gezamenlijke deelraadgenieën op die tekortkoming gevestigd. Dit probleempje zou worden opgelost volgens de Wet van Kalf en Put. Intussen kon de Paulus Potterstraat gemakkelijk wedijveren met de Museum Mile in New York, afgezien van de schuurtjes waar ansichten van de meesterwerken uit de omgeving worden verkocht.

Toen werd het winter. Het begon te regenen. Je vraagt je af of de gezamenlijke deelraadgenieën dit niet hadden verwacht. In ieder geval, het nieuwe Museumplein veranderde in een moeras. Er werd zand op gegooid, en nu gaan we de drainage vernieuwen. Ik ben benieuwd naar de eerste graafwerken. Gelukkig komt langs de afgrond van Albert Heijn een hekje – wordt me uit welingelichte kringen verteld – zonder dat er levens verloren zijn gegaan. De directe omgeving van de supermarkt is intussen door junks en alcoholisten als hangplek in gebruik genomen.

Tot vervelens toe heb ik over de mishandeling van de Dam geschreven. Een paar jaar geleden werd er voor ƒ1.200.000 aan nieuwe keitjes gelegd. Jammer genoeg had het wethouderlijk genie de verkeerde vaklui in dienst genomen, zodat alle nieuwe keitjes binnen een week los lagen en nu niet alleen de Dam, maar het hele Damgebied op de schop gaat. Laat ons bidden, zeiden ze vroeger. De Nieuwendijk, de Spuistraat en de autovrije pornosleuf, de Reguliersbreestraat sla ik over. Gaat u er zelf eens kijken.

De chronische kwaal van Amsterdam heeft twee kanten. De eerste is de wanverhouding tussen bedoelingen en resultaten; plannen tot sprookjesachtige omtoveringen en de werkelijkheid van treurige semi-puinhopen. De tweede de wanverhouding tussen de onvrede van de burgerij als die merkt dat haar weer iets op de mouw is gespeld, en de glimlachende riposte van de wethouder. De laatste dagen denk ik dan aan Bram Peper wiens auto een maat te groot werd bevonden. Hij is afgetreden. Ik weet wel zeker dat het centrum van de hoofdstad en een paar stadsdelen op z'n minst tien maten te groot zijn voor een paar gewichtige wethouders. Wat voor consequenties zouden die wel moeten trekken?

1032